Sail on silver girl

1967 – 1975
Dagelijks loop ik de Bachweg af, een stukje door het Randenbroekerbos, naar het Corderius College (toen nog Lyceum).
Op een herfstdag, op de terugweg, stop je naast me: ‘Zal ik een eindje mee lopen?’
Het begin van een onvergetelijke vriendschap.

 

Vraag jij na een paar weken ‘zullen we nog een rondje doen?’
Of doe ik dat?
Soms doen we wel drie rondjes Randenbroekerbos voor jij opstapt en naar Barneveld fietst en ik naar huis loop.
De oude bomen in het Randenbroekerbos horen ons praten over poëzie, onze boekenlijst, het leven.
En over docenten.
Jij haat de engerd van Engels.
Ik raak in paniek van de onbegrijpelijke woordenstroom die onze wiskundedocent uitstoot.
Regelmatig belanden we in een onstuitbare slappe lach om die stomme docenten.
Behalve om die van Nederlands.
We delen leeservaringen, discussiëren over onze leeslijst, wisselen tips uit.
Ik ben dan al dol op poëzie, Adriaan Roland Holst is mijn favoriet.
Jij vindt hem theatraal.
Toch geef je me zijn ’Winter aan zee.’
Ik geef jou ‘Voor wie ik liefheb wil ik heten’ van Neeltje Maria Min.
En allebei adoreren we de gedichten van Vasalis.
Maar ook de Beatles, Led Zeppelin en o ja: Melanie!
En natuurlijk Bob Dylan.
En Boudewijn de Groot.

Af en toe vraag je hoe het met mij is en hoe het thuis gaat.
Dan klap ik dicht.

 

In schoolvakanties bel je soms ’s avonds.
De eerste keer vraagt mijn vader: ‘Wat had ze?’
Want de telefoon is alleen bedoeld voor volwassen en belangrijke zaken.
Ik hakkel wat over huiswerk en zo.
Niet belangrijk in zijn ogen dus stuift hij regelmatig de ijskoude gang in als ik daar met de bakelieten telefoon aan mijn oor sta te giebelen of te zwijgen met jou.
Dat mijn zorgelijke somberte door ons contact lichter lijkt, besef ik nauwelijks, laat staan dat ik er woorden voor heb.

 

In 1970 slagen we voor ons HAVO examen.
Jij gaat een jaar naar Brussel als nanny en verhuist daarna naar Amsterdam, doet de opleiding fysiotherapie en daarna psychologie.
Ik kies voor de interne opleiding psychiatrische verpleegkunde in Zeist.
Spannend vind ik het en dat zie je aan me, je stuurt me een kladblokblaadje met alleen maar ‘sail on silver girl’ erop.
Uit ‘Bridge over troubled water’ van Simon and Garfunkel, ook een favoriet van ons.
Het hangt jaren boven mijn wastafel.

 

Ik ontmoet een vakantieliefde die veel meer blijkt dan dat.
Je leeft mee.
Als ik het uitmaak (ik kan me niet herinneren waarom) kom je en treft me ongelukkig aan op mijn kamer met Rod Stewarts ‘Someone like you’ keihard op repeat op mijn platenspelertje.
Je troost me en kijkt het even aan.
Dan sta je op en zet Rod af: ‘Ik word knettergek van dat nummer, het is helemaal niet uit, ga die vent bellen!’

 

Dat doe ik.
Je bent eregast op ons huwelijk en we beloven dat onze dochter jouw naam krijgt.
Maar we krijgen twee zonen.
Nu zouden we van Ellen misschien Alan hebben gemaakt.
Maar toen kwam dat niet in ons op.

 

De jaren daarna verflauwt ons contact.
Jij studeert, ik ben thuismoeder tot de jongste naar school gaat.
Vanaf dan volg ik opleidingen en supervisietrajecten en heb banen in zorg en welzijn.
Ik bloei op.

 

1990
In 1990 zie ik een aankondiging van een reünie van het Corderius.
Het triggert me: ik denk terug aan ons contact en besef hoe belangrijk jij bent geweest in mijn puberteit en de jaren daarna.
Je was er voor mij.
Hoe kostbaar is dat.
Het is tijd om dat uit te spreken.

 

Ik zoek uit waar je nu woont, bel en zeg dat ik je iets wil zeggen.
Je nodigt me uit.
Op een novembermiddag bel ik aan, ergens driehoog achter het Amstelpark.
We kijken elkaar aan, er is ongemak.
Ik begrijp niet waarom dat er is maar verzamel moed en vertel kort over de zorgelijke sombere puber die ik was en over thuis.
Dat ik nu zie hoe belangrijk ons contact voor me is geweest.
Ik bedank je uit de grond van mijn hart, je was een van de eerste mensen die me echt zag, luisterde, meeleefde.
Dat zeg ik allemaal.
Je knikt, vraagt hoe mijn leven er nu uitziet.
Ik vertel over relatie, zonen, vrienden, studies, banen.
Als ik zwijg, zeg je, bijna verbaasd: ‘Je hebt leren praten.’
Ik knik, de stille verlegen puber is inderdaad ver weg.
Zeg dat ik nieuwsgierig ben naar jouw leven, hoe gaat het met je, wat wil je, wat doe je, heb je plannen?

 

In de trein terug besef ik: je ontweek mijn vragen of gaf korte algemene antwoorden.
Weer thuis vraagt man hoe het was om je te zien en hoe het met je gaat.
Ik vertel dat ik dat eigenlijk niet weet.
Dat het ongemak van het eerste ogenblik niet week.
Was het een vergissing?
Had ik je niet moeten opzoeken?
Niet zoveel moeten vertellen?
Ik twijfel.
In de maanden daarna bel ik je, een moeizaam gesprek volgt.
Ik stuur je nog een keer een kladblaadjesbrief zoals we die vroeger aan elkaar stuurden.
Geen reactie.
Ik laat het los.
Maar blijf koesteren wat je destijds voor me betekende.

 

2025
Halverwege vorig jaar zie ik dat er een reünie is van onze school.
Het revalidatietraject waar ik in zit, belemmert me om te gaan.
Mijn gedachten dwalen terug naar toen.
Naar jou.
Nieuwsgierig google ik je naam.
Staar minutenlang met bonzend hart naar een rouwkaart.
Herinner me een fietstocht waarbij ik halverwege hijgend afstap en mopper: ‘Hoe doe jij dit? Waarom word jij niet moe?’
Hoe je schatert: ‘Omdat ik veel jonger ben dan jij!’
Hoe ik proest.
Want je bent maar vier maanden jonger dan ik.

 

De weken daarna lees ik steeds opnieuw de kaart.
Hoe je bent ‘weggegleden in vrede.’
En:
‘In de stilte voorbij woorden
In het licht voorbij vormen
Reist Ellen naar het Ongeziene
Maar blijft herinnerd in ons hart.’

 

Ja.
Ik blijf dankbaar voor wie je bent in mijn leven.
Wat we hadden, blijft in mij.

 

Sail on silver girl

 

12-1-2026

Meespelen

Twee keer per dag brengen en halen wij, moeders, ons kroost naar en van de (toen nog) lagere school.
Lopend of soms met de fiets.
Vaders namen nauwelijks deel aan dit ritueel.

 

Die ochtend, het zal begin jaren tachtig zijn geweest, voegt zich een nieuwe moeder bij ons.
Ze stelt zich voor, vraagt naar onze ervaringen met deze school.
We praten tot de schooldeur opent en er een golf gillend grut uitstroomt.
De mijne heeft geen haast zie ik, hij is nog druk in gesprek met vriendjes.

 

Terwijl ik op hem wacht, sla ik gade wat er naast me gebeurt.
Het dochtertje van de nieuweling drentelt achter de groep aan, een klein meisje met een wijze peinzende blik.
Haar moeder loopt naar haar toe, knuffelt haar maar ze worstelt zich los.
‘Hoe was het in je nieuwe klas?’
Ze zucht: ‘Iedereen heeft hier al vriendjes.’
Het gezicht van haar moeder betrekt en ik leef mee, met haar en met haar dochter.
Een nieuw huis, nieuwe school, nieuwe buurt, het is ook niet niks.

 

Moeder aait over dochters hoofd: ‘Heb je meegedaan in het speelkwartier?’
Het meisje, beteuterd: ‘Ja.’
‘Dat is fijn. Toch?’
‘Mama, ik mag wel meespelen maar ze doen niet wat ik zeg.’
Haar moeder zwijgt, pakt haar hand, ‘Ga je mee naar huis?’
Het meisje knikt.
‘Wil je brood met pindakaas? Of hagelslag?’
Het kindergezichtje klaart op, ‘Pindakaas’!

Zo lang geleden, dit voorval, het wil niet weg uit mijn geheugen.
Ik blijf nieuwsgierig.
Of ze nog meespeelt, mág meespelen.
Of ze opkomt voor wat zij wil of zich aanpast.
Of ze de balans heeft ontdekt tussen geven en nemen.

 

3-1-2026
 

In de herhaling

Wens voor wie ik niet liefheb

 

als wij elkaar niet kunnen
begrijpen dat niet willen misschien
omdat we te verschillend denken
dromen voelen willen, als we niet
dezelfde waarden niet dezelfde
humor delen als we niet
met elkaar kunnen leven

 

laten we dan niet meer vergeefs
uitreiken naar elkaar maar met
compassie een stapje naar achter
doen, laat ons vredig
naast elkaar leven

 

 

Lieve lezers,
Dit gedicht schreef ik acht jaar geleden.
Omdat het toen helemaal paste in mijn leven en dat van anderen om me heen en in de wereld.
Aan het eind van elk jaar plopt het omhoog in mijn archief.
En elke keer denk ik: het geldt nog steeds maar laat maar, ik moet mezelf en mijn teksten niet herhalen.
Toch, toen ik eergisteren dit gedicht weer opnieuw las, fronste ik mijn wenkbrauwen en dacht: au, het is nog nooit zo actueel geweest als nu.
Daarom toch nog een keer deze wens voor wie ik niet liefheb.
Omdat het gaat over acceptatie en een vorm van samen verder gaan ondanks schijnbaar onoverkomelijke tegenstellingen.

 

2-1-2026

22 december 1972

Het is even zoeken naar het verkleurde album.
Langzaam bekijk ik de vergeelde foto’s.
Jij hebt nog haar en kijkt blij en zelfverzekerd in de camera en vol liefde naar mij.

 

Mijn gedachten gaan terug naar de lange sessie die ochtend bij de kapper op het Euterpeplein, de moeder van lagere school-klasgenootje Yvonne.
Mijn haar, mijn lange steile donkere haar dat ik, als ik werk, met elastiekjes in makkelijke staartjes naast mijn oren draag.
Ze wast, föhnt, verstevigt, krult, toupeert en steekt het met honderdduizend haarschuifjes op, vlecht witfluwelen sliertjes door het bouwwerk en spuit er een bus haarlak op leeg.
Verbijsterd volg ik in de spiegel voor me het werk van haar handen en zie mezelf veranderen in een vreemde.
Ik zeg niks, dit hoort nou eenmaal bij ‘de mooiste dag van je leven’ is me gezegd.
Ze heeft eer van haar werk: haar creatie oogst veel lof de rest van de dag.
Maar zelfs nu nog, zoveel jaren later, knijpt mijn maag weer samen bij het zichtbare ongemak in de ogen van de bruid op deze foto’s.
’s Avonds laat ontmantel je mijn kapsel.
Minuten lang trek je tientallen haarschuifjes en lintjes uit mijn haar.
Borstelt brokken haarlak weg.
Tot het weer vertrouwd langs mijn oren valt.
En ik mijzelf hervind.
En de protocollen en tradities van die dag, dat haar, alle al dan niet geuite vragen en oordelen, ze verdwijnen als sneeuw in de zon.
Wij zijn samen en voelen en weten dat het goed is.

 

Wat me al jaren verrast: dat gevoel heeft zich in me genesteld.
Het blijft, ook nu jij er al zo lang niet meer bent.
En mijn haar kort dun steil grijs is.

 

22-12-2025

Noodpakket voor een schrijfknobbel

Op een zondagochtend in februari, als de pijn-en-pillenroes ons niet meer volledig beheerst, ben je er ineens weer.
Verrukt schuif ik je achter het scherm en kijk toe.
Hoe je zoekt naar zinnen.
Naar sferen, lichtheid, diepte, een kern.
Aarzelend en onwennig.

 

Tijd voor het schrijfknobbelnoodpakket:
Verboden: forceren, aandringen, deadlines, politiek, wereldleed.
Aanbieden: de juiste mix van Cohenteksten, woordgrappen en Karuneshtonen.
Goede gesprekken, concerten.
Vleugjes hacheegeur en lavendelaroma.
En natuurlijk de natuur:
We wandelen, ik wijs je op dartele wolken boven de IJssel en het rood en geel opvlammende dek van herfstblad gelardeerd met paddenstoelen.
Diep adem je in, betast de oude eik met gesloten ogen.
Schudt de restanten tegenslag van je af.

 

Thuis geef ik je koffie met gevulde speculaas.
Je smult, kleurt en wordt onrustig.
Ik herken het  meteen: dit is opborrelende inspiratie!
Ik zet je voor het scherm.
Daar ga je.
Los!

 

 

14-12-2025
Inspiratie:
Het thema van de schrijfopdracht deze week van Schrijvenonline was: ‘Cadeautjes aan het schrijfproces’, schrijf een verhaal in de ik-vorm over jouzelf als schrijver, met aandacht voor zintuiglijke ervaringen.
Bij deze.

Dit verhaal werd op 19 december 2025  in de schijnwerpers gezet door de Facebook pagina Ultrakorte Verhalen (van Schrijven Online) als een van de vijf leukste/opvallendste  ultrakorte verhalen van de afgelopen week.

Louk en tante

‘Give the ones you love
wings to fly
roots to come back to and
reasons to stay’
Dalai Lama

 

 
Vroeger logeerde ik bij ze, oom en tante.
Warme gezellige onvergetelijke zomervakanties waar ik met liefde aan terugdenk.

 

Later neemt het leven zijn loop en zien we elkaar slechts sporadisch.
Tot die zaterdag, die mail: tante is niet goed geworden tijdens de koorrepetitie en direct opgenomen.
Spoedonderzoeken worden gedaan, maar duidelijk is al dat het er slecht uitziet.
Ik schrik, bel zus: ‘Zullen we?’

 

Maandagmiddag stappen we onaangekondigd haar ziekenhuiskamer in, voorzichtig, gespannen en bang voor wat in het verschiet ligt.
Niet nodig, de gezichten van oom, tante en hun dochter lichten verrast op als ze ons zien.
Tante, met de vertrouwde blik waarmee ze zo je ziel in kijkt, lacht, opent haar armen en zegt met die warme stem van haar: ‘Kind, ben je daar.’
Alleen maar dat: ‘Kind, ben je daar.’
Alleen maar dat.
De jaren vallen weg, het enige wat telt is dat we nu hier bij elkaar zijn, en blij met elkaar.

 

Tante overleed niet lang daarna.
De herinnering aan haar, haar blik en haar lach, blijven in mij.
En leven op, elke keer als kleinzoon Louk mijn tuin in komt, mij ziet en stil staat.
Diep in mijn ogen kijkt en verrukt lacht.
Zijn lach zegt wat tante toen zei.

 

7-12-2025
 

CorAaltjes Droom en Uitweg

In de tweede ronde van onze laatste dichtsessie kwamen deze vijf willekeurige woorden tevoorschijn:
Bierflessen, Vlucht(en), Knieën, Land, Uitademen.
En deze CorAaltjes waren het resultaat:
Aaltje:

 

Droom

 

Op de knieën verdwaasd
tasten naar elkaar met
bierflessen als ijkpunt in
zandig land waar éénoog koning is.
Hoe vluchten een schijn van
verbondenheid haalbaar maakt.
Dorst! Nog een slok.
Droom op de knieën
in een verbaasd, verdwaasd
uitademen

 

Cora
Uitweg

 

In het geluid van rinkelende
bierflessen weerklinkt een
wrekende werkelijkheid
de nacht weigert nog langer
de waarheid te verhullen

 

ziende blind lekken mijn
ogen langs mijn poreuze
wangen, bijna bezwijken
mijn knieën onder het gewicht
van alles wat ik voel en

 

vind, weg vlucht ik van
de grauwsluier die dit
dove land bedekt adem
november mijn lijf uit
en vertrouwen diep in

 

30-11-2025

Zonder woorden, een Loukverhaal

Soms heeft Louk zijn dag niet en is dat bij het opstaan al duidelijk: hij oogt moe, is traag, humeurig en wil niet eten.
Wat de oorzaak is, blijft vaak onduidelijk.
Een echte uitdaging dus voor zijn begeleiders:
Vindt Louks puberbrein dat het nog lang geen dag is?
Laat zich hier een familiaal dingetje gelden: een ochtendhumeur?
Of is het epileptisch, zit er een insult aan te komen?
Ervaart hij misschien bijwerkingen van de zware anti-epileptica die hij krijgt?
Of zit colitis hem dwars en heeft hij buikpijn?

 

Hijzelf kan het niet vertellen, niet met woorden.
Maar de goede verstaander kijkt en begrijpt hoe Louk laat zien wat hij niet wil maar ook laat zien wat hij wèl nodig heeft.
Zoals op een ochtend een paar weken geleden:

 

Na een trage ochtendstart komt Louk laat binnen bij groep Goud (dagbesteding).
Als hij de leidster ziet, lacht hij, loopt naar haar toe, pakt haar hand en trekt haar zachtjes mee naar het bed. (er staat een bed in de groepsruimte voor Louks dutjes overdag)
Hij gebaart haar om te zitten en legt zijn koe- en tijgerknuffels op haar schoot.
Gaat dan op zijn zij liggen, met zijn hoofd op de tijger en doezelt lekker weg.
En zij begrijpt dat hij dit nu nodig heeft en neemt de tijd voor hem.
Een paar minuten is genoeg.
Dan vraagt ze of hij mee gaat wandelen.
Louk schiet overeind, klaarwakker.
Want wandelen is óók leuk!
24-11-2025

CorAaltjes De Tijd voorbij en Balsem

Aaltje en ik deden een ronde ‘Vijfwoordengedichten.’
Uit Aaltjes prachtige, net uitgekomen, dichtbundel ‘Kikkerperspectief’ kozen we vijf willekeurige woorden en verwerkten die allebei in een gedicht, een CorAaltje.
(dagelijks blader ik in haar bundel en laat me meevoeren van licht en luchtig naar diep en doorleefd, en weer terug)
Dit zijn de vijf woorden:
Ontloken Verklaard Olie Verslapte Gladgestreken.

 

De Tijd voorbij
CorAaltje van Aaltje

 

Ontloken verklaard, zei ze,
wijzend naar de groene punten.
Zo teder gladgestreken en
ontrold aan de kronkelige twijgen.

 

Als met olie bestreken, zei ze en
we kusten elkaar opgetogen
Haar ogen glansden maar
mijn mond vormde woorden:

 

verslapte aftreksels van
klinkende zinnen die dof
van mijn lippen ploften in
klevende letters, grijze zinnen.

 

Hol echoënd verklonken ze,
mijzelf en de tijd voorbij,
waarbij haar prachtige ogenglans
langzaam en treurig doofde.

 

Ontrold aan de kronkelig
ontloken verklaarde twijgen
trok een vervreemdende stilte
in dodelijk zwijgen voorbij.

 

 

balsem
CorAaltje van Cora:

 

 

liefde die nog
nauwelijks ontloken
niet verklaard
of uitgesproken

 

in ogen woont in
een lach in een
hand die de mijne
pakt en me meeneemt

 

naar een wereld waar
weerstand verslapt
vertrouwen woont en de
geur van lavendelolie

 

de ziel kalmeert
waar vroeger is
gladgestreken waar
jij bent en wij zijn

 

 

23-11-2025

What’s in a name, een Loukverhaal

Tot voor kort haalde de bus kleinzoon Louk ’s morgens thuis op en bracht hem naar het kdc (kinderdienstencentrum) oftewel: ‘naar de kindjes.’
Sinds kort woont hij in een gezellige kamer in een woonvoorziening.
Ook hier wordt hij elke ochtend opgehaald.
Maar nu gaat hij niet ‘naar de kindjes.’
In de rapportages van zijn begeleiders lees ik verschillende omschrijvingen voor zijn dagbestemming:
Zo zegt de een dat Louk naar de ‘db’ gaat, de ander ‘dagbesteding’, ook wordt ‘groep Goud’ regelmatig genoemd.
Vorige week schreef een begeleider dat Louk ‘opgewekt naar zijn werk ging.’
Ook lees ik regelmatig dat hij moe ‘thuis’ komt.

 

Die omschrijvingen kloppen allemaal en trouwens, what’s in a name?
Louk woont nu daar, en daar is hij thuis.
En natuurlijk kan je zijn activiteiten in groep Goud als werk beschouwen.
Louk boeit het voor geen meter hoe dingen heten.
Alleen voor zijn ouders en voor mij is het even wennen.
We grappen er een beetje over want Louk heeft (nadat de eerste groep tegenviel) in ‘groep Goud’ wel een unieke ‘werkplek’ gevonden:
Hij krijgt door de dag drinken en fruithapjes aangeboden.
Als hij smult van een kaastosti, krijgt hij er gewoon nog twee.
En er wordt vaak gewandeld waar hij dol op is.
Hij legt er dierenpuzzels en componeert creaties van dierenplaatjes, op zijn bed, op de grond, op tafel.
En als hij ‘vier op een rij’ speelt en alles op de grond gooit als het niet lukt, dan met zijn voeten alle stukjes op kleur legt en ze vervolgens weer terug doet in het speelraam, dan krijgt hij van lieve leidsters complimentjes voor het resultaat.
Kom daar maar eens om bij de gemiddelde werkplek!

 

8-11-2025