Zeehumeur

Het duurde even voor ik het door had.
In zeemodus banjerde ik langs het strand: hoofd in de wind, zon op mijn lijf, voeten door de golven.
Maar de wind draaide mee met mijn muizenissen waardoor ze als een boemerang terugwaaiden mijn hoofd in.
De kwallen die mij kwelden, gooide ik ver in zee.
De branding spoelde ze meteen weer terug voor mijn voeten.
Toen ik mijn horizon wilde verbreden, trok de hemel dicht.
De mist boven zee was net zo ondoordringbaar als de mist in mijn hoofd.
 
Nee, de zee had haar dag niet vandaag.
25-5-2018 Katwijk aan Zee

Op 6-2-2019 geplaatst op de site 500 Magazine Aan Zee

Donderend vakantieslot

Wekenlang is het, zelfs voor Spaanse begrippen, bloedverziekend heet en droog geweest.
Het lijkt saai: elke dag een strak blauwe lucht, maar ik kan er geen genoeg van krijgen.
Vandaag trekt de lucht Hollands dicht: een voorproefje, morgen gaan we weer naar huis.
Na een heerlijke vakantie in het vertrouwde appartement in Cala Salions, uitkijkend op en genietend van de zee.
Een paar weken vol van zon, zee, strand, musea, shoppen.
En lezen, stapels boeken hebben we verslonden.

 

Uitgerust pakken we de spullen in, met dat tegenstrijdige gevoel van ‘wat jammer dat de vakantie voorbij is’ en ‘hoe zou het thuis zijn?’
Licht gespannen bij dat laatste, want: is thuis alles goed gegaan?
De zonen verzekerden ons als we belden (‘jullie hoeven echt niet zo vaak te bellen hoor’), dat ze hun vakantiebanen deden en elke dag kookten en het huis was ook nog heel.
Maar ik weet zeker dat ik bij die woorden op de achtergrond een lachsalvo hoorde…

 

Als we aan het eind van de middag de tassen en koffers naar de auto dragen, ontploft de hemel in een warme wolkbreuk.
Het is geweldig!
We smijten de spullen in de auto, sluiten hem snel af en blijven dan genietend staan in een muur van warme regen.
Natuurlijk zijn we onmiddellijk doorweekt maar wat maakt het uit.
Drijfnat gaan we na een paar minuten weer naar binnen.

 

Terwijl we droge kleren aan trekken, barst boven de Middellandse Zee een gigantisch onweer los.
We halen de al opgeruimde tuinstoelen weer tevoorschijn, klappen ze uit en genieten daarna op het overdekte balkon van een uniek schouwspel.
Tientallen bliksemflitsen schieten van links naar rechts boven zee, van boven naar beneden, de donder raast er oorverdovend achter aan.
Uren duurt het maar dan schuift het onweer eindelijk over ons heen het land op en komt de hemel tot rust.

 

Wat rest is een ingetogen motregen die de hele nacht aanhoudt en ons, hoe passend, vergezelt op de terugreis.

 

9-10-2015

Vijzel

Ze begroet de apotheekmedewerker als een oude bekende: ‘Hoi, zelfde recept.’
De medewerker weifelt, kiest dan voor het protocol en vraagt haar naam, adres en geboortedatum.
‘Nee echt?’ grijnst ze, maar ratelt haar gegevens en vraagt: ‘Geef deze keer maar een dubbele dosis, want ik ga op vakantie.’
Weer weifelt de medewerker: ‘Dat staat niet op het recept, heb je goedkeuring van je arts daarvoor?’
De vrouw zucht: ‘Al die regeltjes, ik word gek van jullie.’
Schouderophalend loopt de medewerker naar achter en komt terug met een doosje. ‘Alsjeblieft, tot volgende week.’
‘Oké, o wacht, verkopen jullie ook vijzels?’

 

24-5-2018

 

Gekozen op 25-5-2018 als een van de vijf leukste, beste of meest opvallende ultrakorte verhalen en gedichten van week 19 op de Facebookgroep Schrijven Magazine: Ultrakorte verhalen.

Bestaan

Mijn moeder is mijn naam vergeten
wie bent u, vraagt ze ontdaan terwijl
haar vingers heuveltjes huid kneden
die minuten blijven staan

 

Mijn zoon weet niet meer waar ik
woon maar hij belt en vertelt hoe
hij sloopt wat oud is en vergaan, hoe
hij huizen bouwt als bunkers
die de tijd zullen doorstaan
 
Ik vul onze scheuren, strijk ze glad met
geborgenheid en innige zinnen vol hoop
en samen, noem onze diepste namen
bevestig ons bestaan
 
 
met dank aan Neeltje Maria Min:
Mijn moeder is mijn naam vergeten:
 
Tekening: C.F. van Berendonk, ongedateerd

Dit gedicht behaalde in januari 2019 een gedeelde derde plaats in de redactionele selectie van de Dichtwedstrijd van het Schrijverspodium. In de democratische uitslag deelde het een negende plaats (van de 85)

Geplaatst op de site ‘500 Magazine aan Zee’ op 19-2-2020

Dichtsprook

‘Kind, dichters zijn raar en straatarm, leer jij maar een echt vak.’
Dat deed ze, een leven lang.
Toen ze was uitgewerkt, viel haar oog op een dag op de bermen langs haar wandelroute.
Ze knielde, plukte armen vol droomrozen, vergeetmenooitjes, corabloemen en lachjuffertjes en zette ze in een vaas naast haar beeldscherm.
 
Sindsdien dicht ze: ze allitereert naar hartenlust, verzint zingende zinnen, jongleert met  blank vers.
Haar ‘maatloze verlatenheden’ zijn weggewaaid in ‘oude wind’, ‘het trotse hoge woord van liefde’ loste op, ‘hulpeloos verdriet’ vervaagde.
Wel zegt ze nog steeds vaak: ‘laten we zacht zijn voor elkander, kind.’
 
13-5-2018
 
De citaten uit de twee laatste zinnen komen uit het gedicht ‘Zwerversliefde’ van Adriaan Roland Holst
 
Gekozen op 18-5-2018 als een van de vijf leukste, beste of meest opvallende ultrakorte verhalen en gedichten van week 18 op de Facebookgroep Schrijven Magazine: Ultrakorte verhalen.

Uit de bocht

Touwtjespringen 1
 
In spin
precies op het perfecte moment glijd
ik tussen de rondzwiepende touwen
 
de bocht gaat in
magisch bewegen touwen en ik
wijken de touwen dan zweef ik
een hemelse halve seconde 
 
uit spuit
neerkomen op het rechterbeen
het linker wacht op het akkoord van
de kruisende touwen, stapt opzij 
 
de bocht gaat uit
in een flits schiet ik uit de ondeelbare
binnenwereld zo de boze buitenwereld in 
 
als ik mijn ogen op sla zie ik grijnzende
smileys op het gips
Beterschap!
 
 
3-9-2016
 

Touwtjespringen 2

Zal ik lezen of buitenspelen?
Dat was mijn dilemma toen ik tien was.
Maar in het touwtjespringseizoen was de keus niet moeilijk.
Voor touwtjespringen moet je alert zijn en een goede bewegingscoördinatie en een perfecte timing hebben.
En, hoewel bepaald niet lenig, niet snel en niet sterk, die dingen bezat ik wel.
Op een warme zomeravond na het eten ga ik met een groepje vriendinnetjes touwtjespringen.
Om beurten staat een van ons aan de ene stoeprand en een ander aan de overkant, het touw een paar keer om de pols gewikkeld, zij moeten ‘draaien.’
Begin jaren zestig kon dat nog in Amersfoort, als er een auto aan kwam of, elk kwartier, stadsbus 6 of 7, stopten we even.
We beginnen gemakkelijk: om de beurt (‘omstebeurt’) aan de ene kant in het touw springen en aan de overkant er weer uit.
‘In spin, de bocht gaat in, uit spuit, de bocht gaat uit’ zingen we erbij.
Wie te laat in het touw springt is af en moet draaien.
De volgende stap vergt meer snelheid en behendigheid: aan beide kanten springt tegelijkertijd iemand in het touw en er doorheen waarbij je moet zorgen dat je elkaar en het touw niet raakt.
Een grotere uitdaging is inspringen als beide touwen tegelijkertijd en tegen elkaar in worden gedraaid.
Dubbel zo moeilijk is het om dit met twee springers tegelijk te doen.
Wie dit het vaakste kan, heeft gewonnen.
 
Die avond lukt alles, niet eerder springen we samen zo goed.
De opwinding stijgt, het zingen en tellen klinkt steeds harder door de straat.
Ingespannen en bezweet springen we razendsnel, als in een roes, precies tussen de touwen door.
Mijn vest heb ik uitgegooid, het voelt of ik dans met de touwen in een vloeiende beweging.
Dan gebeurt het.
Een musje vliegt tegen het bovenste touw en knalt tegen mijn hoofd.
Het volgende moment lig ik languit op straat, het musje naast me, mijn voorhoofd, elleboog en knieën geschaafd, verdwaasd om me heen kijkend.
Geschrokken gegil om me heen, een moeder komt kijken wat er aan de hand is.
Iemand helpt me overeind.
Iemand pakt het musje op.
In een mum van tijd is de straat leeg.
Trillend strompel ik naar huis.
Schoonmaken onder de kraan, grote pleisters op grote schaafwonden.
Pas de volgende ochtend mis ik mijn vest.
Als ik naar school ga, zie ik het verfrommeld in de goot liggen.
Het touwtjespringseizoen is abrupt voorbij.
 
 
4-10-2015
 

Onhandig

Uit de terminale thuiszorg
 
Ik heb bereikbaarheidsdienst en wordt gebeld.
In mijn oren klinkt een zachte beschaafde stem die verzoekt om informatie over de inzet van vrijwilligers.
We maken een afspraak voor een intakegesprek.
 
Als ik aanbel, klinkt een melodieuze gong.
Een man in een mooi maatpak opent de deur, zijn gezicht grauw en ongeschoren, zijn ogen wanhopig in de mijne.
Zorgvuldig hangt hij mijn jas op een hanger in de garderobekast, gaat me dan voor naar een enorme kamer. Grijze en zwarte tinten overheersen, een enkele manshoge cactus, moderne kunst aan de muren.
Hij schenkt koffie in porseleinen kopjes.
Gaat dan zitten en vertelt met beheerste stem dat artsen niets meer voor hem kunnen doen.
‘Mevrouw ik heb daar geen ervaring mee, het is uw werk omgaan met mensen die dit gehoord hebben, kunt u me vertellen, dood gaan, hoe doe je dat?’
Hoopvol kijkt hij me aan.
We praten.
Langzaam betrekt zijn gezicht.
Ik heb niet de gebruiksaanwijzing waar hij op hoopte.
 
Als we in de gang staan en hij mijn jas voor me ophoudt, komt zijn vrouw uit een kamer aan het eind van de gang.
Een mantelpakje, een exclusieve sjaal hoog om haar hals.
Als ze me haar hand reikt, verschuift de sjaal en wordt een grote blauwzwarte vlek zichtbaar in haar hals en op haar rechterkaak.
Dan valt me ook de dikke laag make-up op haar gezicht op.
Mijn ogen worden groot, mijn mond opent zich.
Ze zien het, glimlachen sussend.
‘Ik liep tegen de deurpost.’
‘Zij is altijd zo onhandig.’
‘s Avonds belt hij en deelt me uiterst beleefd mee dat hij afziet van de inzet van vrijwilligers.

Verwondering

 
 Aristoteles:     ‘verwondering is het begin van alle wijsheid’ 
 
Midden in zijn spel kijkt hij op, zijn ogen draaien weg tot enkel oogwit zichtbaar is.
De schokken volgen, nemen zijn lijfje over.
Als ze zijn uitgeraasd, trillen zijn armen en benen machteloos na.
Hij slaat zijn ogen op, kijkt nietsziend rond.
Sluit ze weer en valt in een diepe slaap.
Als hij een uur later wakker wordt en me ziet, lacht hij blij ‘Oma spelen?’
‘Ja Louk, we gaan spelen.’
 
15-5-2017
 
Dit is een van de zes verhalen van mij die in 2018 werden opgenomen in de bundel ‘Kort en prachtig’
 

Thermiek van een liefde

Toen het ochtend werd vloog je weg
volgde Jonathan langs wijkende 
wolken en verdween uit mijn zicht.
 
Ik bleef hier. Leef door met anderen maar 
zelden zonder jou, onzichtbaar passeer je
me rakelings op straat, kietel je mijn 
mijn voeten in bad, zucht in mijn oor: 
ga door, je raakt me naakt in bed.
 
Zo, zonder sleur en onbegrip, lief ik je lichter 
dan toen je leefde. Lach eindelijk om je 
zweetvoeten, zaai sterrenkers in je asbak 
geniet van zondagen zonder Grand-Prix gekrijs.
 
Of wij levend gelukkig waren gebleven, blijft 
de vraag, dood blijven we het voor altijd.
 
15-1-2018