Onder de tafel

Ze weten niet dat hij onder de tafel zit.
Papa loopt.
Papa loopt als een ijsbeer zegt mama.
‘Waarom lopen mensen als ijsberen?’ vroeg hij een keer.
‘Vraag niet zo veel’, zei ze, ‘wacht maar tot je groot bent.’

 

Eerst de rode knopen.
Als die goed liggen, gluurt hij tussen de bloemen in het tafelkleed door.
Papa loopt.
Nu de blauwe knopen, dat zijn er veel.
Mama zegt iets maar hij verstaat het niet.
Papa gromt.
Grommen ijsberen? Nu de groene en de rode. De gouden knoop legt hij in het midden. Het ziet er prachtig uit. Voorzichtig tilt hij een hoekje van het tafelkleed op en kijkt.
Papa loopt.
Zijn handen beven.
Mama’s gezicht is dicht.
Hij sluit het gordijn.
Gooit alle knopen door elkaar.
Begint opnieuw.

 

 
22-6-2021
 

Vadergeur

De man beent haastig voor me met
dezelfde stramme strikte passen.
Als kind kon ik hem niet bijbenen
liep huppelde rende half
hij hield niet in
keek niet om
hoog zijn schouders, zijn blik naar binnen
zijn haar grijzend en vol
‘een mooie kop met haar’ zei mijn moeder
ze koos zijn kleren
wit of lichtblauw overhemd grijze broek
gedekt colbert dat hem als een huis omhulde.

 

Als de man nadert, herken ik de kleren, het
eendere silhouet, blauw haken onze ogen in elkaar
een zweem van mijn vaders geur zweeft
mijn neus mijn hoofd mijn leven in, van zwetende
oksels bruin verrookte vingers met de geur van
pantersigaartjes uit het kleine blikje
een flard Old Spice.
Als vanzelfsprekend doen mijn benen
het oude huppeltje om hem bij te houden
maar meteen corrigeer ik mezelf, loop door

 

sta dan toch stil
draai me om
kijk ademloos toe hoe
de onbekende man mijn leven uit loopt

 

14-5-2016
Een bewerking van dit gedicht is als ultrakort verhaal opgenomen in de bundel ‘Kort & Prachtig 1’, 2018

Zand en zee

Soezen in
het hete zand              
je hoofd op mijn
buik beweegt mee
met mijn adem            
golven overstemmen
je snurken ik
nies
je schrikt             
schiet schielijk overeind                
jammer
                        
2-6-2017

Eendjes voeren

Het is 1975, oudste is twee en logeert een paar dagen bij mijn ouders die dol op hem zijn.
Als we hem weer ophalen, vertellen ze wat een gezellig ondernemend spraakzaam manneke het is.
Zo gingen opa en kleinzoon regelmatig naar de vijver in het Randenbroekerbos.
‘Om eendjes te voeren’ vertelt opa grinnikend, ‘maar die kwamen er bekaaid af, het meeste brood at hij zelf op.’
‘En o ja, hij heeft er ook een keer natte voeten bij gehaald’ vertelt hij, ‘maar daar heeft hij niks aan over gehouden hoor.’
Zo was dat gegaan:
Bij de vijver aangekomen haalt opa de zak met oud brood tevoorschijn en geeft kleinzoon, die in de wandelwagen zit, stukjes aan om naar de eenden te gooien.
Kleinzoon vindt dat even leuk maar kan vanuit de wagen niet ver gooien, hij wil er uit om dichter bij de eendjes te zijn.
Dat kan geen kwaad, vindt opa en tilt hem uit de wagen.
Minutenlang staan ze hand in hand bij de vijverrand en voeren de samengedromde, luid snaterende eenden.
Het duurt even voor opa beseft dat hij dieper dan gebruikelijk moet doorbuigen om het handje van kleinzoon vast te houden.
Als hij naar beneden kijkt, ziet hij waarom: kleinzoon staat al de hele tijd niet op de rand voor de vijver maar tot aan zijn enkeltjes in de vijver.
Waarna opa nuchter bedenkt dat het warm is, kleinzoon kennelijk geen last heeft  van zijn natte sokken en schoenen en het geen zin heeft hem er nu ineens uit te halen, daar schrikt hij maar van.
Dus voeren ze de eendjes tot het brood op is, dan tilt opa kleinzoon uit het water en zet hem met druipende schoenen en al in de wagen.
Kleinzoon, net zo laconiek als opa, geeft geen sjoege, en zo gaan ze weer op huis aan.

 

Opa leeft al lang niet meer.
Zoon is ver in de veertig.
Er is geen foto van maar dat hoeft ook niet, het beeld staat onuitwisbaar in mijn geheugen gegrift: die lange grijzende man op het gras, hand in hand met dat jongetje dat tot zijn enkeltjes in de vijver staat, terwijl ze eendrachtig samen de eenden voeren.

 

9 juni 2016

Broek

Het is een warme lentedag, ik loop in het polderbos.
Een kleine gekreukelde oude man komt aanfietsen.
Ik ben al oma maar hij zou mijn opa kunnen zijn.
Onhandig stapt hij af en zet zijn fiets tegen een boom.
Begint dan zijn fietsbroek naar beneden te trekken, wankelt, valt om, sjort liggend op zijn linkerkant verder aan de pijpen tot die vastgedraaid zitten om zijn enkels.
‘Heeft u hulp nodig?’ vraag ik.  
‘Die regenbroek moet uit, die moest ik aan van mijn vrouw, reuma weet u wel, maar hij is veel te warm.’
Machteloos trekken zijn vergroeide handen aan de onwillige broekspijpen.
Ik hurk voor hem, draai voorzichtig de broekspijpen los maar krijg ze niet over zijn schoenen en kijk om me heen.
Een man die zijn hond uitlaat, houdt zijn pas in en vraagt of hij iets kan doen.
De oude man wijst naar zijn enkels en hijgt: ‘Uit, uit.’
De hondenbezitter hurkt naast me en trekt de verknoopte veters los van de schoenen van de oude man, samen trekken we de regenbroek uit, de schoenen weer aan en hijsen tussen ons in een senior omhoog in een strak zwart wielrennersbroekje.

 

Hij bedankt ons vriendelijk, wankelt naar zijn fiets en frommelt zijn regenbroek in een fietstas.
‘Redt u het zo? Moet u nog ver?’  vraag ik.
‘Dank u wel mevrouw, ik red het best, ik heb maar vijfentwintig kilometer gedaan vanmorgen, had u me vroeger moeten zien, toen fietste ik zo honderdvijftig kilometer op een dag. De vorige keer belden ze hier een ambulance maar dat was helemaal niet nodig, ik woon maar vijf minuten hiervandaan.’
Hij klimt op zijn fiets en rijdt slingerend weg.

 

Twijfelend kijk ik hem na, de vorige keer???
De man met de hond schudt zijn hoofd, grinnikt en zegt: ‘Daar gaat ons voorland, mevrouw.’

 

6-6-2021

Dag dromen

Ze dwarrelen uit wolken weemoed, zweven in
blauwe ballonnen, echoën in een diepe stem
landen in halflege stiltecoupés waar ik ze
verzamel en meeneem in mijn rugzak.

 

Thuis sluimeren ze in de kieren van mijn brein tot  
de schemer mijn ogen sluit. Regengeruis klinkt in
vergeten straten, mijn kindervoeten struikelen naar
het huis dat wenkt, een ballon zweeft omhoog in oneindig
blauw tot de merel me wakker zingt en stilte opstaat.

 

De eerste koffie jaagt de laatste dromen de wolken
in die langzaam over drijven, verdwijnen achter de einder.
Ik moet weg, mijn rugzak wacht.

 

 

2-6-21
 
Resultaat van de dichtopdracht bij de les over Hanneke Van Eijken in de cursus Poëzie online van Margreet Schouwenaar