De ganzenveer

Een dierbare herinnering

 

 
Blij begroeten we elkaar, het voorbije jaar vervaagt in onze omhelzing.
Struinend door de duinen vertel ik zorgelijk over tegenslagen en over mijn overvolle agenda.
Ze staat stil, kijkt me aan: ‘Wat wil je echt?’
‘Schrijven!’
Het komt uit mijn tenen.
‘Wat houdt je tegen?’
Ik ratel een ratjetoe aan mitsen en maren en eindig met de reactie van een collega: ‘Jij? Schrijven? En dan wil je zeker ook nog gelezen worden. Er zijn al veel te veel slechte schrijvers.’  
Naar adem happend sta ik stil, weer helemaal terug in dat gesprek, tranen rollen over mijn wangen.

 

Zoekend kijkt ze rond, haar ogen glijden over het duinpad.
Ze bukt, haar handen zoeken tussen de losse bladeren en takjes naast het pad, rapen iets op, geven het mij: ‘Schrijf!’

 

Nb: ganzenveren worden spiritueel o.a. gezien als brengers van goed nieuws en nieuwe kennis

 

 
2012

Tijd

De lucht strooit glasheldere spatjes die je pas voelt als je stil staat en luistert, gezicht omhoog.
Op open stukken geeft de novemberwind ons een draai om onze oren.
Onder bomen dwarrelen buien van gele en rode bladeren op ons neer, oplichtend in de lage zon.
Als andere wandelaars ons pad kruisen, vallen gesprekken stil.
Vriendelijke groeten worden uitgewisseld.
‘Goede middag’
‘Goeie morgen’
‘Goeie middag’
Wat is het eigenlijk, ochtend of middag?
Het doet er niet toe.
Tijdloos lopen we door.

 

Goeiedag!
26-11-2022

Oma op zolder

Mijn moeders moeder is een grote vrouw met een vriendelijk gezicht, ogen die alles zien, grijze lange haren in een knot gevouwen op haar achterhoofd.
Als klein meisje logeer ik graag bij haar.
Als de ooms grapjes met me uit halen die ik niet snap, roept oma ze tot de orde: ‘Hou eens op jongens, plaag dat arme ding niet zo.’

 

Oma overlijdt kort nadat mijn broertje wordt geboren.
Er wordt geruild met slaapkamers.
Voor mijn oudste zus en mij, ik ben 9, wordt op zolder een kamer gebouwd.
De rest van de zolder bestaat uit een smal middenstuk met aan weerskanten twee houten rasters waar platen karton op en tussen liggen.
Daar mogen wij niet komen, dat is gevaarlijk zegt mijn vader, ‘als je daarop loopt, zak je er doorheen.’

 

Op een nacht zie ik oma.
Ik schrik want ze staat op het gevaarlijke stuk van de zolder.
Mijn stem doet het niet maar toch hoort ze me: ‘Pas op, daar zakt u doorheen.’
Sussend schudt ze haar hoofd: ze zakt er niet doorheen.
Ze lacht naar me, ik word er warm van, wat is ze lief, ik wil naar haar toe!
Haar arm wenkt me eerst, dan zwaait ze naar me.
Ik begrijp het niet, ze wil dat ik kom maar ook niet.
Ineens is ze weg.

 

Opgetogen vertel ik ‘s morgens: ‘Oma was op zolder!’
‘Dat kan niet’, zegt mijn moeder, ‘dat heb je maar gedroomd, oma is dood.’
Maar ik weet het zeker: ‘Oma was daar!’
Ze zucht, is druk met babybroertje en kleinste zusje: ‘Jij ook altijd, oma is er niet meer, schiet op, je moet naar school.’
Als een zeepbel spat mijn blijheid uiteen.

 

Ik praat niet meer over oma en bewaar het voorval diep in me.
Af en toe diep ik het op en herinner me hoe blij ik was toen ik haar zag.
Soms vraag ik haar zonder woorden: ‘Droomde ik of was u er echt?’
En dan klinkt het in me:
‘Kind toch, natuurlijk was ik daar, ik was zo blij dat je me zag en hoorde, niet meer aan twijfelen hoor!’
Zie je wel …..

 

‘O ja, nog iets’, zegt ze dan, ‘Het is goed hier, je krijgt de groeten.’
Met een knipoog: ‘Je weet zelf wel van wie.’
Ik grinnik, jazeker weet ik dat.
Dag oma, dankjewel.

 

2015

De sleutel

Jaren geleden vraagt iemand of ik mee ga naar de Achelse Kluis, de Sint-Benedictusabdij van Achel, een cisterciënzerabdij dicht bij de Belgische grens.
Dat zie ik wel zitten, het kost even om mijn agenda leeg te vegen, maar dat lukt.

 

Een paar dagen volgen we het dagritme van de broeders, eten met hen, gaan naar de dagelijkse missen in de kapel, genieten bij de lunch van het door de broeders zelf gebrouwen bier en wandelen in de bossen.

 

Het ritme brengt rust, langzaam verdwijnt de ruis die hoort bij twee banen, een studie en last but not least: een ingrijpend rouwproces.
Wat blijft, is het besef van waar het echt om gaat in het leven: een mix van moed, vertrouwen, aandacht en acceptatie.
Grote begrippen, die kort daarna samensmelten in een simpele zin.

 

Als ik, weer thuis, mijn koffer uitpak, vind ik de sleutel van mijn kloosterkamer in mijn koffer.
Vergeten in te leveren, o wat suf.
Beschaamd bel ik de contactbroeder, bied mijn excuses aan en beloof de sleutel onmiddellijk op te sturen.
Hij sust me laconiek:
‘Rustig maar Cora, het is de sleutel van de hemelpoort niet.’

 

En dat is sindsdien mijn mantra.

 

2017

Busrit langs de IJssel

Een zomerochtend.
De bus stopt, ik stap in, de chauffeur begroet me als waren we oude bekenden.
Traag, bijna bedachtzaam, rijdt hij de route, langs lege haltes.
Soms wijkt hij uit naar de berm en houdt in, geeft met een loom handgebaar uit het open raam, achterop komend verkeer ruimte om te passeren.

 

Buiten is het heet, de hitte siddert boven de IJssel.
Binnen is het koel, mijn ogen glijden over augustusgroene polders, omgekeerde vlaggen op de erven van oude boerderijen.
Rusten dan op de rivier waar plezierjachten voorbij varen en soms een volgeladen containerschip.

 

Bewogen worden gaat over in bewogen zijn.
Misverstanden, erupties van oud zeer, verbeten wegblokkades, mensonterende oorlogen.
Ze versmelten met de stem van Vasalis die haar gedicht De Afsluitdijk voorleest, met de klanken van ‘The lark ascending’ van Vaughn Williams en de herinnering aan een tijdloze qi gongsessie op een Terschellings strand.

 

‘Er is geen einde en geen begin
aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,
alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.’
Uit: De Afsluitdijk van Vasalis

 

3-8-2022

Gratis

Zijn ogen lichten op: ‘Ha, ben je daar.’
Hij loopt langzamer dan de vorige keer, wankelt af en toe, zoekt houvast aan de gangmuur.
Vandaag mag ik helpen met koffie zetten.
Als we zitten, vraag ik hoe het gaat.
Hij vertelt over nieren, doofheid, evenwicht, traagheid, huidtumoren, suikerziekte.
Hij ziet me fronsen.
Gaat verzitten.
Zijn ogen twinkelen: ‘Veel hè? Maar weet je wat zo fijn is?’
Hij laat een stilte vallen.
Ik schuif naar het puntje van mijn stoel.
Net als vroeger, als hij vertelde over zijn puberstreken in de oorlog, hang ik aan zijn lippen.
Grinnikend vervolgt hij: ‘Je krijgt het allemaal gratis. En je mag het allemaal houwen!’

 

 
2018

Schrijfpeinzen

2014
Vanzelf wakker worden, rondkijken, leegte voelen, stilte ruiken.
Eruit? Nah. Doezelen. Naar beneden stommelen.

 

Koffie.
Iedereen werkt nu. Dan zou dit dat gat zijn wat me werd voorspeld.
Is het ook een gat als het gevuld is met opluchting?
Bankhangen, oude afleveringen van Roseanne, gapen, hardop lachen.
Douchen.  Sporten. Lopen. Pc.

 

Scrollen tussen YouTube, Nu.nl, mail, Facebook, Insta.
Blijven hangen op Facebook. Dwalen langs vrienden, eentje volgt een schrijfpagina.
Eens kijken. Schrijfuitdagingen, dat jargon, bah.
Toch verder lezen.
Schrijftiendaagse, elke dag een opdracht?
Vrijblijvend, gratis, hmm, hij zei altijd dat ik echt iets moest doen met dat schrijven, toch maar eens proberen?

 

De Schrijftiendaagse gaat door in een ‘365-dagenschrijvenuitdaging.’
Elke dag een schrijfopdracht, tot mijn verbazing rollen daar 364 korte verhalen uit.

 

Poëzie online cursus, nah, ik kan niet dichten. Sufferd, dat weet je pas als je het hebt geprobeerd. Cursus op cursus op cursus. Verrukking, dit is geweldig!

 

2022
Ik schrijf.

 

26-4-2022

Publicabel

Zeven jaar was ik wat tegenwoordig een ‘thuismoeder’ wordt genoemd.
Tot jongste naar de kleuterschool ging en man erop aandrong dat ik mijn vleugels uitspreidde.  
Hij had gelijk: tijdens de deeltijd MBO-Sociale Dienstverlening leefde ik op, ik genoot van studeren en verbreedde enthousiast mijn horizon.

 

Na en ondanks een lastige MBO-stage in het vrouwenwerk, behaalde ik het diploma en rolde in een parttimebaan: ik werd ‘medewerkster gecoördineerd ouderenwerk’ (kortweg gow) in twee naburige dorpen.
Het eerste jaar had ik geen idee wat ik daar deed.
Natuurlijk, ik voerde plichtsgetrouw mijn functieomschrijving uit.
Maar het belang van en de samenhang tussen de koffie-ochtenden en de cursussen Engels en bloemschikken die ik organiseerde, de spreekuren die ik hield voor ouderen en de overleggen die ik voerde met vrijwilligersorganisaties, thuiszorg, gezinszorg en de eerstelijnsgezondheidszorg, dat werd me pas echt duidelijk tijdens de HBO-Maatschappelijk Werk waar ik een jaar later mee begon.

 

Daar leerde ik de verbanden te leggen tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de gesprekken die ik voerde met zelfstandig wonende ouderen.
Daar ontdekte ik wat de uitvoering van de in 1983 uitgebrachte ‘nota Flankerend Ouderenbeleid’ (door ons al gauw cynisch ‘flob’ genoemd), betekende voor betrokkenen.
In de nota FlOb werd in ambtelijk jargon gesproken over ‘het bevorderen van een ‘zorgzame samenleving’, o.a. door decentralisatie van sociale, medische en maatschappelijke voorzieningen voor ouderen.
(De term ‘bejaarden’ werd neerbuigend gevonden en raakte in diskrediet, voortaan werd er over ‘ouderen’ gesproken.)
Dat dit beleidsdoel nauwelijks was gebaseerd op visie maar veel meer op bezuinigen als antwoord op de te verwachten extreme kostenstijgingen in de gezondheidszorg, voortvloeiend uit de vergrijzing en ontgroening, dat werd slechts terloops gemeld.
Het FlOB vormde de start van het beleid waarvan we nu, veertig jaar later, de gevolgen ervaren: wegbezuinigde verzorgingshuizen, lange wachtlijsten voor zowel thuiszorg en gezinszorg als voor het afgenomen aantal verpleeghuisplaatsen.

 

Maar ik, in 1984 nog een groentje in deze sector, had daar in het begin geen benul van.
Stukje bij beetje verdiepte ik me tijdens de HBO-MW en in mijn werk, in de levensfase van de oudere mens en in de plaats van ouderen in de maatschappij.
Maar vooral leerde ik van de contacten en gesprekken met ouderen zelf en met de vrijwilligers die zich met hart en ziel wijdden aan het bijstaan en begeleiden van ouderen.

 

Zo geboeid raakte ik hier door dat ik mijn eindscriptie van de HBO-MW er aan wijdde.
De vele uren achter de IBM-typemachine op zolder leidden tot een scriptie die klonk als een klok en me een ‘zeer goed’ opleverde op mijn eindlijst.

Blij was ik.
En trots omdat ik nu eindelijk het belang van mijn werk begreep.
Tijdens de diploma-uitreiking gaf Nel, een van de stafdocenten en beoordeelaars met wie ik het eindgesprek had gevoerd, mij haar exemplaar van mijn werkstuk terug.
Blozend van haar loftuitingen stopte ik haar exemplaar in mijn tas.
Thuis bladerde ik het door, probeerde haar hiëroglyfen te ontcijferen maar stopte daar al snel mee.
Het was geen doen, zeg nou zelf:

Het belandt achterin een la van mijn bureau en het leven herneemt zijn loop: andere banen, opleidingen en gebeurtenissen vergen mijn aandacht.

 

Pas vorige week, vierendertig jaar later dus, kom ik in een opruimbui Nels exemplaar weer tegen.
Deze keer neem ik wel de tijd om haar commentaar te ontcijferen, glimlachend lees ik het aandachtig door, herinneringen komen terug en een gevoel van ‘o ja, zo was dat toen’ en ‘wat heeft ze zorgvuldig zich verdiept in deze materie en in mijn scriptie.’
Langzaam doorbladerend, stuit mijn blik op de hiëroglyfen op de voorlaatste bladzij die destijds volledig aan mijn aandacht zijn ontsnapt.
Enkele woorden springen van de pagina, in hoofdletters nota bene:

 

7-6-2022

Tot op het bot

een herinnering van twintig jaar geleden:
De een na de ander neemt afscheid.
Het was een mooie dag, hij zou trots op jullie zijn.
Echt? Zoeken naar een antwoord dat er niet is.
De deur achter de laatste op slot draaien.
Rond kijken, wie woont hier?
De kachel hoger zetten.
Afwas verzamelen, afwassen, opruimen.
Rondkijken, hoe vreemd, de stoelen leeg, niemand hangt op de bank.
Zitten, huiveren, opveren, de kachel hoger zetten.
Staan, rond kijken, iemand is een jasje vergeten.
Luisteren naar de telefoon die luid rinkelt, armen slap naast mijn lichaam.
De trap op, loden voeten, rondkijken, wiens huis is dit?
Logees hebben hun bed afgehaald, de badkamer ligt vol beddengoed.
Wasmachine vullen, aanzetten, luisteren, rillen.
Naar beneden, de kachel hoger zetten.
Naar boven, zijn kamer, staan, rondkijken.
Het lege hoog-laagbed grijnst me aan, zijn sloffen.
Medicijnen verzamelen, die kunnen terug naar de apotheek.
Zijn donkerbruine velours ochtendjas vasthouden, voelen, ruiken, ja…..
Kippenvel.
Naar beneden, de kachel hoger zetten, waarom blijft het zo koud?
De stilte is oorverdovend.
Rondkijken, de leegte een massieve mist die langzaam alles doortrekt, de meubels, de muren, mijn huis, mijn huid, mijn hart.
Die winter legde de kachel het af tegen de kilte die heerste in het huis.
30-8-2016

 

 

Vier mei haiku:

 

herdenk je doden
dan leven ze weer even
in je warme hart

 

4-5-2022

 

Vrachtwagen

Geconcentreerd knikker ik op de stoep in de voortuin.
De zon schijnt, het is niet druk op de weg voor het huis.
Soms fietst er iemand voorbij, steekt zijn hand op en roept ‘heu.’
In de keuken klinkt pannengekletter, tante is bezig met het avondeten.
Straks komt oom op zijn motor thuis van zijn werk.

 

Alsof ik het voel, kijk ik ineens op en daar staat ze.
Aan de overkant op de stoep voor haar huis.
In een gebloemde jurk, handen wringend, kijkt ze naar rechts de weg af.
Ik vroeg tante eens waarom ze daar elke middag staat, ze vertelde dat buurvrouw bang is van auto’s en van vrachtwagens raakt ze helemaal overstuur.
Haar man is vrachtwagenchauffeur.

 

Waarom verdwijnen veel ervaringen, ook indrukwekkende, in de loop van de tijd uit je herinnering?
Waarom blijven andere, schijnbaar onbetekenende ervaringen, je bij alsof ze gisteren gebeurden?
Waarom zie ik haar, ruim een halve eeuw later, nog steeds haarscherp voor me, de jonge vrouw in de gebloemde jurk die elke middag handenwringend wachtte op haar man?
En haar opgelucht blije gezicht als de grote gele VINK-vrachtwagen eindelijk aan kwam rijden?

 

 

30-4-2022