Sail on silver girl

1967 – 1975
Dagelijks loop ik de Bachweg af, een stukje door het Randenbroekerbos, naar het Corderius College (toen nog Lyceum).
Op een herfstdag, op de terugweg, stop je naast me: ‘Zal ik een eindje mee lopen?’
Het begin van een onvergetelijke vriendschap.

 

Vraag jij na een paar weken ‘zullen we nog een rondje doen?’
Of doe ik dat?
Soms doen we wel drie rondjes Randenbroekerbos voor jij opstapt en naar Barneveld fietst en ik naar huis loop.
De oude bomen in het Randenbroekerbos horen ons praten over poëzie, onze boekenlijst, het leven.
En over docenten.
Jij haat de engerd van Engels.
Ik raak in paniek van de onbegrijpelijke woordenstroom die onze wiskundedocent uitstoot.
Regelmatig belanden we in een onstuitbare slappe lach om die stomme docenten.
Behalve om die van Nederlands.
We delen leeservaringen, discussiëren over onze leeslijst, wisselen tips uit.
Ik ben dan al dol op poëzie, Adriaan Roland Holst is mijn favoriet.
Jij vindt hem theatraal.
Toch geef je me zijn ’Winter aan zee.’
Ik geef jou ‘Voor wie ik liefheb wil ik heten’ van Neeltje Maria Min.
En allebei adoreren we de gedichten van Vasalis.
Maar ook de Beatles, Led Zeppelin en o ja: Melanie!
En natuurlijk Bob Dylan.
En Boudewijn de Groot.

Af en toe vraag je hoe het met mij is en hoe het thuis gaat.
Dan klap ik dicht.

 

In schoolvakanties bel je soms ’s avonds.
De eerste keer vraagt mijn vader: ‘Wat had ze?’
Want de telefoon is alleen bedoeld voor volwassen en belangrijke zaken.
Ik hakkel wat over huiswerk en zo.
Niet belangrijk in zijn ogen dus stuift hij regelmatig de ijskoude gang in als ik daar met de bakelieten telefoon aan mijn oor sta te giebelen of te zwijgen met jou.
Dat mijn zorgelijke somberte door ons contact lichter lijkt, besef ik nauwelijks, laat staan dat ik er woorden voor heb.

 

In 1970 slagen we voor ons HAVO examen.
Jij gaat een jaar naar Brussel als nanny en verhuist daarna naar Amsterdam, doet de opleiding fysiotherapie en daarna psychologie.
Ik kies voor de interne opleiding psychiatrische verpleegkunde in Zeist.
Spannend vind ik het en dat zie je aan me, je stuurt me een kladblokblaadje met alleen maar ‘sail on silver girl’ erop.
Uit ‘Bridge over troubled water’ van Simon and Garfunkel, ook een favoriet van ons.
Het hangt jaren boven mijn wastafel.

 

Ik ontmoet een vakantieliefde die veel meer blijkt dan dat.
Je leeft mee.
Als ik het uitmaak (ik kan me niet herinneren waarom) kom je en treft me ongelukkig aan op mijn kamer met Rod Stewarts ‘Someone like you’ keihard op repeat op mijn platenspelertje.
Je troost me en kijkt het even aan.
Dan sta je op en zet Rod af: ‘Ik word knettergek van dat nummer, het is helemaal niet uit, ga die vent bellen!’

 

Dat doe ik.
Je bent eregast op ons huwelijk en we beloven dat onze dochter jouw naam krijgt.
Maar we krijgen twee zonen.
Nu zouden we van Ellen misschien Alan hebben gemaakt.
Maar toen kwam dat niet in ons op.

 

De jaren daarna verflauwt ons contact.
Jij studeert, ik ben thuismoeder tot de jongste naar school gaat.
Vanaf dan volg ik opleidingen en supervisietrajecten en heb banen in zorg en welzijn.
Ik bloei op.

 

1990
In 1990 zie ik een aankondiging van een reünie van het Corderius.
Het triggert me: ik denk terug aan ons contact en besef hoe belangrijk jij bent geweest in mijn puberteit en de jaren daarna.
Je was er voor mij.
Hoe kostbaar is dat.
Het is tijd om dat uit te spreken.

 

Ik zoek uit waar je nu woont, bel en zeg dat ik je iets wil zeggen.
Je nodigt me uit.
Op een novembermiddag bel ik aan, ergens driehoog achter het Amstelpark.
We kijken elkaar aan, er is ongemak.
Ik begrijp niet waarom dat er is maar verzamel moed en vertel kort over de zorgelijke sombere puber die ik was en over thuis.
Dat ik nu zie hoe belangrijk ons contact voor me is geweest.
Ik bedank je uit de grond van mijn hart, je was een van de eerste mensen die me echt zag, luisterde, meeleefde.
Dat zeg ik allemaal.
Je knikt, vraagt hoe mijn leven er nu uitziet.
Ik vertel over relatie, zonen, vrienden, studies, banen.
Als ik zwijg, zeg je, bijna verbaasd: ‘Je hebt leren praten.’
Ik knik, de stille verlegen puber is inderdaad ver weg.
Zeg dat ik nieuwsgierig ben naar jouw leven, hoe gaat het met je, wat wil je, wat doe je, heb je plannen?

 

In de trein terug besef ik: je ontweek mijn vragen of gaf korte algemene antwoorden.
Weer thuis vraagt man hoe het was om je te zien en hoe het met je gaat.
Ik vertel dat ik dat eigenlijk niet weet.
Dat het ongemak van het eerste ogenblik niet week.
Was het een vergissing?
Had ik je niet moeten opzoeken?
Niet zoveel moeten vertellen?
Ik twijfel.
In de maanden daarna bel ik je, een moeizaam gesprek volgt.
Ik stuur je nog een keer een kladblaadjesbrief zoals we die vroeger aan elkaar stuurden.
Geen reactie.
Ik laat het los.
Maar blijf koesteren wat je destijds voor me betekende.

 

2025
Halverwege vorig jaar zie ik dat er een reünie is van onze school.
Het revalidatietraject waar ik in zit, belemmert me om te gaan.
Mijn gedachten dwalen terug naar toen.
Naar jou.
Nieuwsgierig google ik je naam.
Staar minutenlang met bonzend hart naar een rouwkaart.
Herinner me een fietstocht waarbij ik halverwege hijgend afstap en mopper: ‘Hoe doe jij dit? Waarom word jij niet moe?’
Hoe je schatert: ‘Omdat ik veel jonger ben dan jij!’
Hoe ik proest.
Want je bent maar vier maanden jonger dan ik.

 

De weken daarna lees ik steeds opnieuw de kaart.
Hoe je bent ‘weggegleden in vrede.’
En:
‘In de stilte voorbij woorden
In het licht voorbij vormen
Reist Ellen naar het Ongeziene
Maar blijft herinnerd in ons hart.’

 

Ja.
Ik blijf dankbaar voor wie je bent in mijn leven.
Wat we hadden, blijft in mij.

 

Sail on silver girl

 

12-1-2026

Meespelen

Twee keer per dag brengen en halen wij, moeders, ons kroost naar en van de (toen nog) lagere school.
Lopend of soms met de fiets.
Vaders namen nauwelijks deel aan dit ritueel.

 

Die ochtend, het zal begin jaren tachtig zijn geweest, voegt zich een nieuwe moeder bij ons.
Ze stelt zich voor, vraagt naar onze ervaringen met deze school.
We praten tot de schooldeur opent en er een golf gillend grut uitstroomt.
De mijne heeft geen haast zie ik, hij is nog druk in gesprek met vriendjes.

 

Terwijl ik op hem wacht, sla ik gade wat er naast me gebeurt.
Het dochtertje van de nieuweling drentelt achter de groep aan, een klein meisje met een wijze peinzende blik.
Haar moeder loopt naar haar toe, knuffelt haar maar ze worstelt zich los.
‘Hoe was het in je nieuwe klas?’
Ze zucht: ‘Iedereen heeft hier al vriendjes.’
Het gezicht van haar moeder betrekt en ik leef mee, met haar en met haar dochter.
Een nieuw huis, nieuwe school, nieuwe buurt, het is ook niet niks.

 

Moeder aait over dochters hoofd: ‘Heb je meegedaan in het speelkwartier?’
Het meisje, beteuterd: ‘Ja.’
‘Dat is fijn. Toch?’
‘Mama, ik mag wel meespelen maar ze doen niet wat ik zeg.’
Haar moeder zwijgt, pakt haar hand, ‘Ga je mee naar huis?’
Het meisje knikt.
‘Wil je brood met pindakaas? Of hagelslag?’
Het kindergezichtje klaart op, ‘Pindakaas’!

Zo lang geleden, dit voorval, het wil niet weg uit mijn geheugen.
Ik blijf nieuwsgierig.
Of ze nog meespeelt, mág meespelen.
Of ze opkomt voor wat zij wil of zich aanpast.
Of ze de balans heeft ontdekt tussen geven en nemen.

 

3-1-2026
 

22 december 1972

Het is even zoeken naar het verkleurde album.
Langzaam bekijk ik de vergeelde foto’s.
Jij hebt nog haar en kijkt blij en zelfverzekerd in de camera en vol liefde naar mij.

 

Mijn gedachten gaan terug naar de lange sessie die ochtend bij de kapper op het Euterpeplein, de moeder van lagere school-klasgenootje Yvonne.
Mijn haar, mijn lange steile donkere haar dat ik, als ik werk, met elastiekjes in makkelijke staartjes naast mijn oren draag.
Ze wast, föhnt, verstevigt, krult, toupeert en steekt het met honderdduizend haarschuifjes op, vlecht witfluwelen sliertjes door het bouwwerk en spuit er een bus haarlak op leeg.
Verbijsterd volg ik in de spiegel voor me het werk van haar handen en zie mezelf veranderen in een vreemde.
Ik zeg niks, dit hoort nou eenmaal bij ‘de mooiste dag van je leven’ is me gezegd.
Ze heeft eer van haar werk: haar creatie oogst veel lof de rest van de dag.
Maar zelfs nu nog, zoveel jaren later, knijpt mijn maag weer samen bij het zichtbare ongemak in de ogen van de bruid op deze foto’s.
’s Avonds laat ontmantel je mijn kapsel.
Minuten lang trek je tientallen haarschuifjes en lintjes uit mijn haar.
Borstelt brokken haarlak weg.
Tot het weer vertrouwd langs mijn oren valt.
En ik mijzelf hervind.
En de protocollen en tradities van die dag, dat haar, alle al dan niet geuite vragen en oordelen, ze verdwijnen als sneeuw in de zon.
Wij zijn samen en voelen en weten dat het goed is.

 

Wat me al jaren verrast: dat gevoel heeft zich in me genesteld.
Het blijft, ook nu jij er al zo lang niet meer bent.
En mijn haar kort dun steil grijs is.

 

22-12-2025

Levenslust

Ik ontdekte hem toen ik de verbrande bloemschermen uit de zieltogende hortensia plukte.
Beschut door hortensiablad rees uit de uitgedroogde aarde een fiere stengel met een kleine knop in top.
Een aangewaaide gift van de zon, een verre nakomeling van Vincents onuitwisbaar in het geheugen gegrifte zonnebloemen.
Maar vooral een late nazaat van de uitbundig bloeiende zonnebloemenfamilie die me ooit hier door de eerste rauwe weken van rouw hielp.

 

Ik koester de dappere solist met water, aarde en aandacht.
Dagen van gedijen glijden voorbij.
Van wiegen op de zomerwind, van wenden naar de zon en warmte absorberen.
Op de dag dat hij zich opent, toont hij me zijn hart.
Ik dank hem zoals kleinzoon Louk dat woordloos doet: buigend met de hand op mijn hart.

 

27-8-2025

Garantie

De AIOS (arts in opleiding tot specialist), een vriendelijke jonge vrouw, stelt heldere vragen, luistert goed naar mijn antwoorden, noteert ze.
In de onderzoekskamer onderzoekt ze me zorgvuldig van top tot teen.
Kondigt aan dat ze de neuroloog erbij gaat halen.

 

We wachten.
Dan zwaait de deur open.
Een fiere gestalte, groot en breed, vult de deuropening.
Een gebruind gezicht, volle haardos, vorsende blik, stevige handdruk.
Hij doet haar onderzoek nog eens dunnetjes over, corrigeert haar op sommige onderdelen, streng en zakelijk.
Ze knikt, ze krimpt zichtbaar onder zijn woorden.

 

Na afloop van zijn onderzoek wijst hij ons zijn spreekkamer en loopt vast vooruit met haar.
Ik kleed me aan, fluister tegen zoon terwijl ik mijn schoenen aan doe: ‘Die man is echt veel te knap, Mc Dreamy eat your heart out.’
Zoon schiet in de lach.

 

Opgewekt stappen we Mc Dreamy’s spreekkamer in.
Hij troont in het midden achter zijn bureau, rug kaarsrecht, schouders breed, handen op tafel, wijdbeens.
Rechts van hem zit de AIOS, enigszins ineengedoken en zwijgend.

 

Vanaf zijn onneembare vesting kijkt hij me doordringend aan, wacht even, steekt dan van wal.
Hij heeft extra tijd uitgetrokken voor dit gesprek!
‘Om u gerust te stellen! Want ik lees dat u erg angstig bent voor een herhaling van uw slechte ervaringen in december!’
Hij spreekt in uitroeptekens.
Hoewel ‘erg angstig’ wat zwaar is geformuleerd, laat ik het zo, dat de medische misser van toen hier en nu wordt erkend, is tenslotte ook wat waard.

 

Uitgebreid bespreekt hij de recente onderzoeksuitslagen, zijn eigen bevindingen en de conclusies die hij daaruit trekt, regelmatig controlerend of we hem nog volgen en vragen hebben.
Na een half uur vraagt hij: ‘En, bent u gerust gesteld?’
Ik peins, wissel een blik met zoon.
Die zegt hardop wat ik denk: ‘Dus als wij u goed begrijpen was de toen niet onderkende acute verslechtering van de klachten en alle ellende die daar het gevolg van was, een eenmalige fout, een uitzondering?’

 

Hij zwijgt, speelt met zijn pen, zijn blik glijdt door de kamer.
Wij wachten rustig af, de AIOS bekijkt hem stilletjes van opzij.
Hij kijkt ons weer aan, wat afstandelijker.
Zegt dan voorzichtig: ‘Wat er gebeurde was niet te voorzien want een acute verslechtering zoals bij u, is atypisch bij dit ziektebeeld.’
Bijna ongemerkt haalt hij zijn schouders op: ‘Maar ja, het overkwam u wel.’
Eensgezind knikken wij: ‘Precies!’
Dat negeert hij.
Met nadruk vervolgt hij: ‘Toch acht ik, op grond van de laatste onderzoeken, uw huidige klachten niet urgent.’
Hij kijkt op zijn horloge en sluit af met de zin waarmee hij van zijn voetstuk valt: ‘Maar u snapt natuurlijk wel dat ik geen garanties geef.’

 

Dat zei Mc Dreamy nooit.

 

18-8-2025

Slagveld

Als ik kookte, verzamelde ik ingrediënten, sneed ze, bakte, kookte. Dekte ondertussen de tafel, waste, als alles klaar was, vast de pannen af, dat scheelde zoveel bij de afwas.
En sopte en passant ook vast het aanrecht en het gasstel.

 

Als hij kookte, meed ik de keuken.
Pas na zijn verrukkelijke chili con carne durfde ik de confrontatie aan met de, hem eigen, culinaire chaos in de keuken, die oogde of er een orkaan van bonen, rijst en tomaten had gewoed.
Elk oppervlak was bedekt met spetters olie en klodders tomatensaus, de vloer bezaaid met ontsnapte uienschillen, vurige peper- en paprikaschilfers en gevluchte kidneybonen.

 

Maar altijd was er, midden op het aanrecht, een kleine oase van rust: een koffiemok, nog halfvol zwart met suiker.
Pal daarachter, leunend tegen de achterwand, een WO2-boek, opengeslagen bij de Slag om Arnhem.

 

Mijn moeders heerlijke hachee, zijn hemelse chili, hoe ik ook mijn best doe, nooit smaken ze meer als toen.

 

1-8-2025

Over schrijven en over Aaltje

Tien jaar geleden blader ik door Facebook, stuit op een oproep voor een ‘schrijftiendaagse’ en meld me, nogal ongebruikelijk voor mij, in een opwelling aan.
Elke dag krijg ik een schrijfopdracht en elke dag denk ik: nah nee, dit is niks voor mij en ga wat anders doen.
Maar hoe wonderlijk: later op die dag glijdt er vanzelf een idee in me, borduurt mijn brein erop door en schrijf ik het toch maar op.
Als ik het overlees, vind ik het niks maar moet er tegelijk om lachen.
En plaats het toch.

 

Na die schrijftiendaagse heb ik tien teksten die ik eerst voor mezelf hou maar dan toch aan jongste laat lezen.
Tot mijn verrassing vindt hij ze geweldig.
Een paar weken later start Margreet Schouwenaar, die ook de schrijftiendaagse organiseerde, een project ‘365 dagen schrijven.’
Ik aarzel: dat kan ik vast niet en elke dag is veel te veel en ik wil niet elke dag iets moeten en waar haal je elke dag inspiratie vandaan dat lukt vast niet.

 

Dat gepieker duurt een dag en dan meld ik me aan.
Vanaf dag 2 krijg ik elke dag een schrijfopdracht en tot mijn eigen verbazing rolt er, net als bij de tiendaagse, altijd weer een tekst uit mij.
In die 364 dagen leer ik schrijven, maar vooral ook: proberen, durven, doen, grenzen loslaten, mijn fantasie de vrije loop laten.
En dat je overal, écht overal over kunt schrijven.
Ik plaats mijn teksten in de Facebookgroep ‘365 dagen schrijven’ en lees nieuwsgierig de teksten van de medeschrijvers.
Ik blijk met mijn 364 teksten een volhouder maar: er is iemand die vanaf dag één meedoet: Aaltje!
Een paar maanden later, nu tien jaar geleden, ontmoet ik haar bij een schrijfcursus van Margreet.
Ik weet nog als de dag van gisteren hoe ik haar zie en meteen denk: ja natuurlijk!
Want Aaltje is wat ze schrijft.
En schildert en tekent en fluit en dicht.
Zo begonnen wij en vandaag, 20 mei, wordt Aaltje 90.
En schreef ik dit gedicht voor haar:

 

 

Voor Aaltje

 

Vijf woorden plukken wij van bladzijden en
smeden ze tot dappere gedichten, diep en
dromerig, hard en schrijnend, hilarisch of
warm en teder. Laat ons maar gaan en we
dichten het leven lichter en de wereld zachter

 

We stippen aan wat zwaar is leggen bloot wat
waar is maar onzegbaar oogt, wat luchtig of
vluchtig lijkt en altijd golft liefde rond de zinnen.
Laten we, als we elkaar weinig zien, in hart en ziel
toch samen zijn en hopen op ooit weer ergens

 

Diagnoses en praktische bezwaren vertragen
onze trein maar ik koester je in gedachten en
gedichten en fluister: laten we zacht zijn voor
elkander en kijken naar wat wél kan. Zo
blijven we dichter bij elkaar. En dichter

 

20-5-2025

Mee leven

Ik vind een plekje in de wachtkamer en kijk om me heen.
Het is eind november 2024 en twintig jaar geleden dat ik hier was.
De dokter komt me halen, in haar spreekkamer stelt ze zich voor en komt meteen ter zake: ‘U heeft rugklachten?’
Terwijl ik summier mijn klachten beschrijf, rammelt ze op haar toetsenbord, af en toe knikkend naar het scherm.
‘Kleedt u maar uit en gaat u zitten op de rand van het bed.’
Als ik daar zit, weekt ze zich los van haar laptop en onderzoekt mijn benen en onderrug, ondertussen in mitrailleurtempo vragen op me afvurend.
Ik merk op dat mijn linkerkniereflex ontbreekt.
Ze reageert niet, vraagt: ‘Welk cijfer geeft u de pijn?’
Ik weifel maar stel vast dat het nu toch wel een 7 is.
Haar gezicht blijft onbewogen, ze wenkt:  ‘kleedt u zich maar weer aan’ en keert terug naar haar laptop.
Moeizaam kleed ik me aan, wankel van de rand van het bed in de rolstoel en wacht af.
De stilte duurt tot ze, zonder van het scherm op te kijken, mompelt: ‘doorgaan met paracetamol, ibuprofen en maagbeschermers erbij.’
Uit de stilte die volgt, begrijp ik dat het consult voorbij is.
Botsend tegen haar bureau en de muur, manoeuvreer ik mijn rolstoel naar de deur.
Aarzel even, kijkend naar haar rug, vraag dan toch: ‘Wilt u alstublieft even de deur open doen, dat lukt me zo niet.’
Zwijgend staat ze op, opent de deur en groet: ‘fijne dag nog.’
Fijne dag?!

 

Als ik weer thuis ben, realiseer ik me: ze heeft me niet een keer aangekeken.
De dagen daarna verergeren mijn klachten snel, ik raak rolstoelafhankelijk.
Ondanks de snel toenemende pijn regel ik zelf de meeste verwijzingen, onderzoeksafspraken en hulpmiddelen.
Mijn telefoonrekening bereikt een ongekende hoogte.
Schatten om mij heen zorgen voor boodschappen, was, vervoer, aandacht en afleiding, begeleiden me naar specialisten en ziekenhuizen.
Unaniem meelevend, vriendelijk en zorgzaam.

 

De eerste keer dat ik dat besef is als ik de praktijk voor fysiotherapie bel, een dag of tien na het consult bij de huisarts.
Een vriendelijke stem luistert, laat me uitpraten, vraagt door: ‘Wat naar voor u, ik hoor gewoon aan uw stem dat u pijn heeft, redt u het wel, wat heeft u nodig, wat kunnen wij voor u doen?’
Ik schiet vol, hakkel iets, val stil.
Bezorgd vraagt ze of ze iets verkeerds heeft gezegd?
Ik slik, haal diep adem en vertel: ‘Nee, juist niet! Maar u leeft met me mee en u denkt mee, net als alle andere schatten met wie ik in deze nare tijd te maken krijg. En nou snap ik ineens wat ik zo gruwelijk miste in het consult met mijn huisarts. Dit doet me zo goed! Dankuwel!’

 

 

26-3-2025

Traplifttherapie?

Het linkerbeen heeft het al een tijdje moeilijk en gedraagt zich daarnaar: hoewel het nu wel stappen zet, is traplopen voorlopig een stap te ver.
Dus komt er een traplift.

 

Twee keer is de afspraak verzet want druk en griep en personeelstekort.
Maar vandaag is het zover: uren klinkt er genies en getimmer en geproest en geboor in de gang.
Dan kondigt de monteur aan dat ik de traplift kan proberen.
Snotterend legt hij me de knopjes uit.
Als ik een paar keer naar boven en weer naar beneden ben gezweefd, bedenk ik: maar wat nou als de stroom uitvalt als ik halverwege ben?
Hij is zijn spullen al aan het verzamelen, kijkt niet begrijpend op en zegt: ‘Nou dan loopt u toch gewoon verder naar beneden?’
Ik schiet in de lach: ‘O echt, dat gaat dan?’
Hij snapt me niet en pakt verder in.
Ik laat het erbij, hij oogt zo moe en snipverkouden.

 

Als hij weg is, ga ik een paar keer op en neer.
Stop dan halverwege: eens kijken of hij gelijk heeft: misschien heeft mijn linkerbeen deze trapzweefritjes juist nodig en kan het nu wèl zelf naar beneden lopen.
Maar helaas, het wondermiddel werkt niet.
Best jammer.

 

3-3-2025

Verrechtsing

Op een zondagmorgen, drie weken na mijn rugoperatie, weet ik bij het wakker worden: ik wil mijn vleugels weer uitslaan: naar boven en naar buiten.
Ergotherapeut Suus gaat enthousiast mee in mijn plannen en oppert mogelijkheden om me met maatwerk hulpmiddelen naar boven en naar buiten te krijgen.
Natuurlijk wel op voorwaarde dat fysiotherapeut Joris akkoord gaat.
Maar warempel, zelfs hij knikt goedkeurend als hij mijn vorderingen ziet. Wat heet, hij maakt zelfs grapjes: ik ga met sprongen vooruit.

 

Groen licht dus aan alle kanten.
Tot ik een paar dagen later op de grond val.
En een dag later net niet omdat Brenda me op tijd opvangt.
Gelukkig krabbel ik beide keren zonder noemenswaardig letsel weer overeind.

 

Maar de schrik zit er goed in: wat heb ik fout gedaan?
Ik peins en pieker en besef dat ik beide keren zonder nadenken op mijn linkerbeen was gaan staan en het zelfs had willen draaien.
Iets waar dat been nog even een broertje aan dood heeft.

 

Ik vraag Martha, geroutineerd ervaringsdeskundige in eigenwijze linkerbenen, om raad, waarna dit onvergetelijke gesprekje volgt:
‘Ben jij links?’
Ja, helemaal.
‘Dan neemt jouw linkerkant al 71 jaar bij alles het voortouw. Je rechterkant is helemaal niet gewend om de baas te zijn. Je moet je mindset diametraal veranderen: voortaan bepaalt rechts wat er gebeurt.’
Ik schrik, en hoe, maar snap meteen: ze heeft gelijk.
Er zit niets anders op: ik moet verrechtsen!

 

Sindsdien probeer ik uit alle macht te verrechtsen.
Maar mijn brein moppert als ik loopoefeningen doe.
Het zet de Internationale in als ik ‘Move on’ opzet van Leonard Cohen.
Het lacht me vierkant uit als ik beloof: ‘ach werk nou even mee, dit is vast maar voor even, straks mag jij weer de scepter zwaaien, alles komt goed.’

 

31-1-2025