Tot dan gaan papa en mama samen kamperen en logeren wij bij oma.
Nu mogen we voor het eerst mee.
We gaan heel ver: helemaal naar Duitsland.
Er is een caravan gehuurd, daarin slapen papa en mama.
Wij slapen in hun tent.
’s Avonds helpen we met de tent opzetten en luchtbedden oppompen.
Op dat bobbelige luchtbed luister ik nog lang naar de buitengeluiden, de wind in de bomen, een trein in de verte.
De volgende dag met een wc-rol naar een vreemde wc lopen.
Maar we eten net als thuis om half een warm.
Mama schilt en kookt de meegebrachte aardappels, warmt de blikdoperwten op en opent een blikje Smac.
Ze pakt de sla en zoekt de eieren.
Vergeten!
Sla zonder ei kan niet.
Ik wordt naar de campingwinkel gestuurd om twee eieren te kopen.
Ik protesteer, daar praten ze Duits!
Ik kan geen Duits.
Papa geeft me een vreemd muntstuk mee en zegt: ‘Duits is makkelijk, zeg maar zwaiaier.’
Op weg naar de winkel herhaal ik zachtjes: ‘zwaiaier zwaiaier zwaiaier.’
In de winkel stotter ik blozend tegen de vrouw achter de kassa: ‘zwaiaier.’
Ze fronst, denkt even na en pakt dan tot mijn stomme verbazing twee eieren.
Ik kan Duits!
7-9-2026




