Sporen van een doorgereisd oud meisje

soms op zondagmorgen als kerkklokken klinken
kniel ik tussen de bejaarde varens achter de
schuur, terug naar de groene oase gegroeid
uit onsterfelijke stekjes zielsverwantschap

 

met vederlichte vingers bevoel ik het bladerdek
woel door de oude aarde, leg terzijde wat
los ligt, wroet voorbij de bovenlaag
de diepte in, zoals ik altijd doe en

 

volg Ellenlange sporen van weerbarstige
varen draden verbonden in de diepte
luister opgelucht naar verloren gewaande
woorden waarin wat zoek was wordt herboren

 

31-8-2026
Inspiratie: de dichtopdracht in het kader van de les over Roberta Petzoldt met als thema:
dat ook ik
oud vruchtbeginsel
iets van mijn zaden in de wind verspreid

Soms vliegt zo’n dichtopdracht zo uit mijn vingers.
Deze keer worstelde ik maanden tussen weten wat ik wilde zeggen en woorden die zich niet lieten vangen.
Vanmorgen, na drie maanden sudderen, lukte het.
 

De koe zei boe, de ezel balk, het schaap toen bla

Wat is je favoriete boek, was de vraag een tijd geleden.
Dagen twijfelde ik.
Etty Hillesum, Elisabeth George, Anja Meulenbelt?
Godfried Bomans, Karl Ove Knausgard, Maarten ’t Hart?
Ik streepte ze allemaal weg voor een klein dun boekje met mooie illustraties en weinig tekst:

 

Kerst 2008 krijgt kleinzoon Louk, dan anderhalf, dit boek, een kinderkerstvertelling van Herman van Veen.
Een schot in de roos.
Als hij hier binnenkomt, dribbelt hij meteen naar het boekenmandje, doet een trefzekere greep in de hoge boekenberg, klimt op mijn schoot, kijkt mij hoopvol aan.
Start: ‘Er was eens.’
Ik vul aan: ‘een nacht en in die koude nacht stonden’
Hij: ‘twee sterren zomaar achter elkaar.’
En zo declameren wij in duo en al snel uit ons hoofd, de tekst.

 

In de jaren daarna wordt duidelijk: Louk zal nooit zelf lezen en leert slechts beperkt praten.
Desondanks wordt ‘De koe zei boe’ onze klassieker en een vast onderdeel van spelen bij oma.
In de loop van de tijd verfijnen we onze versie van en onze visie op onze evergreen.
De kusjes die we uitwisselen als papa Jozef tegen mama Mia zegt: ‘ik hou van jou’, ja, die blijven.
Maar het kindje in de buik van mama Mia, die zingende engelen en dansende herders, ze boeien Louk steeds minder.


Steeds meer gaat zijn aandacht uit naar de vaste stalbewoners.
Als hij tegenwoordig het boek pakt en naast me op de rode bank kruipt, bladert hij meteen door naar de koe, de ezel, het schaap en de muizen en kijkt me verwachtingsvol aan: ‘Oma koe.’
Dat is het startsein.
Ik loei uitbundig.
Wissel het af met balken en blaten.
Kijk ondertussen naar Louk.

Als hij lacht, haal ik de muizen van stal.
Mijn doordringende hoge gepiep doet Louk schateren.
En mij ook.
En dat is Adriaan Roland Holst nog nooit gelukt.

 

Ik hoor dat Louk soms tegen zijn begeleiders zegt: ‘Oma koe.’
Tja, je moet er wat voor over hebben.

 

15-8-2026

Restjes bier

1966, de eerste klasseavond van de brugklas.
Sinas of cola, roken was geen gespreksonderwerp, eindtijd 9 uur.
Stampend op de dansvloer, luid meeschreeuwen met ‘She loves you yeah yeah yeah.’
Het laatste nummer schuifel ik in de armen van brede blonde Herman.
Fonetisch murmelen we mee: ‘Met restjes bier I walk alone.’

 

Vijftig jaar later luister ik in het Ziggodome gebiologeerd naar Paul Simons toegift: een weergaloze akoestische versie van ‘Sounds of silence.’
In de auto terug praten we na.
Ik vertel over die klasseavond en Herman en die restjes bier.
Zoon grinnikt: ‘Je bedoelt: ‘in restless dreams I walk alone?’
Huh?

 

Prachtige poëtische frase die veel beter past in de songtekst.
Toch mis ik mijn restjes bier.

 

5-8-2026

 

Inspiratie: een schrijfoefening in de Fbgroep Ultrakorte Verhalen met als thema het fenomeen: ‘Mama Appelsap: een liedje dat je al jaren meezong en dat een net iets andere tekst blijkt te hebben dan jij dacht. Schrijf een ultrakort verhaal over zo’n ‘vergis-tekst.’

Weerwoord

Nog voor ik mijn jas heb uitgetrokken en opgehangen, voel ik het.
De lucht is weer zwaar en maakt mij zwaar.
Hij hangt onderuitgezakt in zijn stoel, sliertjes rook van de Chief Whip in zijn vingers cirkelen de kamer in.
Muisstil duik ik in mijn hoekje onder de tafel.
Ik lees Pietje Bell.
Of ik werk aan mijn plan.
Want later als ik groot ben ga ik studeren.
Dan ga ik onderzoeken waarom de lucht binnen altijd zwaar was en buiten niet.
En als ik dat heb ontdekt, dan ga ik iets uitvinden wat de lucht binnen weer licht maakt.
En hem weer blij.

24-7-2026
Inspiratie: de schrijfoefening in de Facebookgroep Ultrakorte Verhalen deze week: ‘Schrijf een eigen weerbericht, fantasierijk, hilarisch, emotioneel. Geef er je eigen draai en windhoos aan’

Denim hemel

Truien vol vlekken, scheef dichtgeknoopte blouses, koekkruimels op de grond.
Dat waren destijds de eerste signalen.

 

Vorige week, toen we koffie dronken in mijn tuin, vroeg ik: ‘Kan je mij nog zien, wat zie je dan?’
Beeldhouwend met haar armen beschrijft ze: ‘Ik zie je in vage contouren. Maar we kennen elkaar al zo lang dat ik je manier van bewegen herken en je geur en je stem als we elkaar begroeten.’
Ze glimlacht: ‘Dus eigenlijk is er niks veranderd toch?‘
Dat beaam ik.
Ze rekt zich uit: ‘Lekker dat windje in deze hitte, ik ruik de bloeiende lavendel. Hoe ziet de lucht eruit vandaag? Azuur als boven zee op een hete zomerdag?’
Ik staar omhoog, peins even, dan weet ik het: ‘Nee, anders. Weet je nog die zomer dat wijde versleten jeans met gaten op kniehoogte ‘in’ waren? Die kleur heeft de lucht nu, gebleekte denim. Met hier en daar wolkenslierten als vuilwitte rafels rond die gaten’.

 

Ze knikt, lacht: ‘Ik zie het, die jeans zaten zo lekker. Goeie tijd was dat, hè?’
En dat was het.

 

15-7-2026
Inspiratie:
In de Fbgroep Ultrakorte Verhalen was dit keer de schrijfopdracht: Je raakt in gesprek met een blinde die vraagt hoe de lucht eruit ziet. Leg dat uit zonder het woord ‘blauw’ te gebruiken.

Flashback

op een donkere bromtoon
zoef ik omhoog, bij elke
tweede tree klinkt een ka-klunk
als van een doorklikkende dia

 

ooit vlogen wij vrolijk met
twee treden tegelijk naar
boven omdat een bed nou
eenmaal fijner vrijt dan een bank

 

dertig tellen later bliept de tijd
me terug naar vandaag
gordel los opstaan met een
dierbaar binnenpretje de dag doen

 

10-7-2026

fifty fifty

Een Loukverhaal over toeval

Ieder mens is een uniek wezen.
Soms legt het leven bijzondere dwarsverbindingen tussen unieke mensen.
Toeval wordt dat genoemd, of lot of voorzienigheid.
Onlangs maakte ik het een paar keer van nabij mee.

Louks onbedwingbare epileptische insulten (veroorzaakt door het aangeboren syndroom van Dravet) werden vroeger vaak toevallen genoemd.
Een passende term die in mijn ogen meer recht doet aan de onvoorspelbaarheid van het fenomeen dan de klinische term insult.

Andere vormen van toeval bestaan uit een schijnbare samenloop van omstandigheden:

Negentien jaar geleden ziet kleinzoon Louk op een dag in mei om 21 uur 59 het levenslicht.
Deze oma mag daarbij zijn en kijkt verbijsterd van dat kleine jammerende wezentje naar de klok en weer terug.
Overvallen door een deja vu: Louks vader werd op precies hetzelfde tijdstip geboren.
Hoeveel minuten gaan er in een dag?
Hoe groot is de kans dat de zoon in dezelfde minuut wordt geboren als de vader?

Onlangs gebeurt er weer zoiets:
Louks gezondheid is fragiel, naast de epilepsie zijn er problemen met zijn ingewanden waardoor hij soms erg veel afvalt.
Gelukkig stijgt zijn gewicht de afgelopen maanden weer gestaag.
Maar het hapert lang rond de 49 kilo, alsof de mijlpaal van vijftig kilo net een brug te ver is.
Tot vorige week.
De ene dag ziet zijn vader Abraham, de andere dag tikt Louk de vijftig kilo aan.
Fifty-fifty.
Toeval?
Hoe dan ook: hoera voor allebei!

24-6-2026

Dirk op herhaling

In 2015-2016 deed ik mee aan de online cursus ‘365 dagen schrijven’ bij Margreet Schouwenaar.
Elke dag plaatste ze een schrijf/dichtopdracht.
Op 22 juli 2016 citeerde ze van de ongeëvenaarde Annie MG Schmidt het gedicht: ‘Pas op voor de hitte’ over de ongelukkige gesmolten Juffrouw Scholten.
Haar dichtopdracht aan ons luidde:
‘schrijf een gedicht waarin je waarschuwt voor de hitte en wat daar de gevolgen van kunnen zijn.’
Dat inspireerde mij, uit mijn pen rolde ‘Denk aan Dirk van Dalen.’

 

Vanmorgen vroeg zette ik alle ramen en deuren in huis tegen elkaar open.
Gaf de tuin water waar nodig.
Daarnet heb ik alles weer dicht gedaan: ramen, deuren, luxaflexen, zonneschermen en gordijnen.
Donkere koelte vooralsnog maar de hitte komt geheid de komende dagen.
En bij hitte hoort Dirk, dus grasduin ik in mijn schrijfarchief tot ik hem heb gevonden.
Even afstoffen en hij is in 2026 net zo net zo actueel als 2016:

 

Denk aan Dirk van Dalen

 

Weet je t al van de oude Dirk van Dalen?
Hij bezweek onlangs aan hitte falen.
Van alle kanten kreeg hij tips tegen de hitte:
‘Eet zout, drink veel, airco hoog, blijf binnen zitten.’

 

Dat deed Dirk, zeven dagen zat hij binnen met alle ramen dicht.
Vandaag is hij gevonden, ‘t was een vreselijk gezicht.
Zijn airco stond op tien, hij was geheel bevroren.
De pegels hingen aan zijn neus en aan zijn kin en oren.

 

Want Dirk, altijd al consciëntieus,
nam die adviezen veel te serieus.
Daarom raad ik ieder heel oprecht:
doe nooit klakkeloos wat men je zegt!

 

23-6-2026

Duimpje

Het rode potlood in mijn hoofd scant het verhaal op het scherm razendsnel en slaat alarm.
Ssst, probeer ik nog, stil nou, je weet toch wat er komt?
Want deze collega schrijver vraagt wel feedback maar reageert als gestoken als hij die ook krijgt, hoe vriendelijk en voorzichtig ook geformuleerd.
Hij reageert sowieso allergisch op reacties als deze: ‘waarom gebruik je dit woord hier?’
Of: ‘in die zin staat een spelfoutje.’
Waar zijn lange tenen ook niet tegen kunnen, zijn suggesties voor alternatieven: ‘misschien moet je …’ of ‘je kan beter …’
Hij negeert zulke reacties of fileert ze: ‘dit is niet relevant’ of ‘ doe niet zo moeilijk, het gaat om de inhoud’ of ‘dat voel ik nou eenmaal zo.’

 

Hij wil geen feedback maar een kietel, fluistert mijn gezonde verstand.
Dat weet je toch?
Doe maar een duimpje.

 

Inspiratie:
Schrijfoefening van de Facebookgroep Ultrakorte Verhalen :
schrijf een kort verhaal over het thema:
‘waarom ik (bijna) nooit feedback geef.’

 

27-5-2026

afscheid geen afscheid


haar geest die tergend traag afhaakte
zijn hartenklop die plots stopte, mijn lief
de verliezer in zijn onwinbare strijd
nooit namen ze afscheid, ze doemen

 

op in het stille uur voor de zon
ondergaat, ik vraag hen: keus?
of lot? luister niet begrijpend naar
hun antwoorden in de wind, fluister

 

ten langen leste mijn bewaarde
woorden van afscheid over samen
lang of lang geleden, over loslaten
maar niet helemaal, over blije of

 

botsende beelden, over plaatsen
in mijn lijf waar zij verblijven, over
de ambivalentie van afstand in
een amper verstaanbaar

 

‘tot later’

 

19-5-2026
Inspiratie: geschreven in het kader van de dichtopdracht bij de poëzieles over Cees Nooteboom