Narcis

Dagelijks gingen we lunchwandelen, even uit de bedompte atmosfeer en het continue stemmengeruis om ons heen.
Terwijl we stevig doorstapten vertelde ze over haar pijnen, de streken van haar ex, haar moeilijke oudste.
Ik luisterde.
Onlangs onderbrak ik haar, vertelde over de diagnose, behandelingen, mijn schrik.
‘O, wat erg’ stamelde ze.
Zwijgend liepen we terug naar kantoor.
Toen ik de dag erna vroeg of ze mee ging, weifelde ze, besloot toen: ‘Oké, ik moet toch nog narcissen halen. Maar het is wel de laatste keer.’
‘Hoezo?’
‘Ik kan jouw ellende er niet bij hebben, ik heb zelf al te veel.’

 

Gekozen op 21-2-2020 als een van de vijf ultrakorte verhalen van week 8 die opvielen in de Facebookgroep Schrijven Magazine Ultrakorte verhalen vanwege hun originaliteit, verrassende wending, kwaliteit of spraakmakendheid.

Magisch moment

Vanaf de achterbank zie ik je instappen, 
peilend rondkijken tot onze ogen zich
verrast verliezen in elkaar. Ik ken je maar
wie ben je? Wat gebeurt hier?

 

Het moment begraaft zich in overvolle agenda’s en
in de jaren, op hoogtijdagen delven we het op.
Vragen elkaar: wat zag je, wat dacht je? Je Elvisblik 
je zag meer dan ik wilde, ik smolt onder je
glimlach. Jij was als Ali McGraw maar veel
mooier, je zwijgend kijken fascineerde me en
hoe je mijn bravoure negeerde.

 

Gaandeweg taant de magie van dat moment, we accepteren
het gelaten, we toosten niet meer op toen, maar op
vandaag. Zoenen boven schuimend bier plots als vanouds
verrukkelijke zoenen tot de ober ons vriendelijk vraagt
minder aanstoot te geven. Blozend wijken we uiteen,
knipogen: weer is een magisch moment geboren.

 

6-2016

Oma is overal

Eerder schreef ik een verhaal over Louks vermogen om naasten te herkennen in vreemden. Zie: Louk en de dubbelgangers (Categorie Loukjes)
Deze keer vertelt hij daar zelf over:

 

‘Op zondag ga ik bij oma Cora spelen. Maar ik zie haar ook op andere dagen hoor!
Weet je waar ik haar heb gezien?
Ik zag haar toen we patat gingen eten.
‘Daar is oma!’ zei ik tegen papa.
Papa keek een beetje raar en mama zei: dat is Marco Borsato.
Maar het was oma Cora, op de muur geschilderd.
Ik zwaaide naar haar en toen lachte ze.
Kijk maar:

Oma was ook op tv, toen had ze een heel leuk stemmetje, ik moest lachen om haar.
Ik zei ‘oma Cora’ en papa zei ‘Wijs haar eens aan’ en dat deed ik en toen maakte papa deze foto.
Zie je wel dat dat oma Cora is?

Een keer was ik ziek en toen kon ik niet naar oma.
‘Noukie bij oma’ zei ik tegen papa en mama toen ik weer beter was maar dat kon niet zei mama, want oma was ziek, ‘net als jij, Louk.’
Toen gingen we maar naar de tijgers in de dierentuin en ook daar eten.
We moesten even wachten tot de patat klaar was.
Ik keek naar de andere mensen en zag oma bij een ander tafeltje!
Heel hard riep ik: ‘Oma, oma!’
Mama lachte en zei ‘Dat is oma niet.’
Maar ik zag het zelf: dat was oma!
Ik rende naar oma toe maar mama hield me tegen want het was een andere mevrouw zei ze, oma was in haar eigen huis.
Maar het was echt oma hoor, kijk maar:

Vorige week zat ik met mama in de auto, alle auto’s stonden heel lang stil.
Naast ons stond een vrachtwagen met oma erop.
Ik zwaaide naar haar.
Mama vroeg ‘Louk, naar wie zwaai je?’
‘Oma’ zei ik en wees naar de vrachtwagen.
Mama keek moeilijk en ze vroeg: ‘Welke oma zie je, de oma van ‘opa en oma’ of oma Cora?’
‘Oma Cora!’ zei ik en toen lachte ze ‘Nee, echt waar Louk?’
Ze geloofde me niet!
Maar ik wist het zeker, want altijd als ik oma zie, ben ik blij en dan doe ik mijn stampdansje en schud mijn hoofd en roep een indianenkreet. En dan doet oma hetzelfde en dan zegt ze ‘Ik ook van jou.’
En dan lacht ze, net als op de vrachtwagen!
Kijk, precies zo!

 

Oma is gewoon overal!’

 

 

12-2-20

Boom

Waaibomenhout schamperde mijn
vader, die boom haalt het voorjaar niet
die boom overleeft jullie zei mijn
schoonvader die hem plantte.

 

Fier staat de krulwilg op zijn
nieuwe plek, stoere stam, trotse
takken, het paasgroen bladerdak
een schuilruimte voor de
knuffeltijger van het kleinkind.

 

Zijn krulblad wiegelt met alle winden
mee, de knoestige oren aan zijn stam
luisteren zonder te horen, geheimen
verdwijnen worteldiep de grond in.

 

Toch borrelt in novemberstormen
ondergronds gegrom omhoog, klinkt een
dwars gemompel dat opgaat in windvlagen
en verdwijnt voor het verstaan kan worden.

 

22-11-2019 

Aandacht

In de supermarkt werkte ik mijn boodschappenlijstje af.
Het schap met aandacht was leeg, ik vroeg een vakkenvuller of de aandacht op was.
Hij verdween naar het magazijn.
Ik wachtte.
Toen hij eindelijk terugkwam, gaf hij me een stoffige verkreukelde portie aandacht.
Vragend keek ik hem aan, hij schokschouderde: ‘Er is weinig vraag naar, dus weinig voorraad maar deze lag nog achter een pallet bloemkool.’
Ik bedankte hem maar hij had zijn oortjes alweer in en vulde het vak met energydrinks bij.
Voor de kletskassa stond een lange rij.
Ik nam de snelkassa.
Thuis dronk ik koffie met aandacht.
Hij rook muf.

 

 

5-2-2020
geplaatst op de site ‘500 Magazine aan Zee’ op 19-2-2020

Mascara

Voor Brenda

 

Bea is dol op oude mensen, als kind al speelt ze het liefst bij opa en oma.
Met oma’s verzameling blikjes, met opa’s brillen die ze een voor een opzet.
Ze is tien als opa ziek wordt en ze helpt waar ze kan.
Opruimen, thee zetten, opa drinken geven.
Als opa overlijdt, wordt ze oma’s steunpilaar, een paar keer per week doen ze samen boodschappen, koken, wassen af en kletsen tussendoor honderduit.

 

Natuurlijk kiest Bea voor werken in de zorg, het zit in haar bloed.
Ze doet de opleiding, loopt stage en geniet.
Nauwelijks zestien slaagt ze voor haar diploma en kan meteen aan de gang.
De eerste cliënt waar ze wordt ingezet is mevrouw Jansen.
Daags voor ze bij haar begint, belt ze om haar komst aan te kondigen.
Een vrolijke stem klinkt in haar oor, ‘Niet mevrouw zeggen hoor, ik heet Annie en mag ik je wat vragen, wil je een boodschap voor me doen?
Natuurlijk wil Bea dat.
‘Mijn mascara is op, wil je een nieuwe voor me halen, zwarte mascara?’
Bea vraagt het merk en haalt de mascara.
De volgende morgen laat Annie haar binnen, een struise vrouw die moeizaam achter haar rollator door haar appartement beweegt.
Zesennegentig is ze ‘maar alles doet het nog hoor, alleen die benen willen niet meer.’
Terwijl Bea de ramen zeemt, afstoft, stofzuigt en de badkamer doet, praten ze honderduit.
Om half elf zegt Annie, ‘Mens, wat werk jij hard zeg, maar nou eerst ff een bakkie doen.’
Tijdens de koffie herinnert Bea zich de mascara en diept die op uit haar tas.
‘Ja, dat is hem, precies de goeie’ lacht Annie, ‘dankjewel meid, dan kan ik weer ff vooruit.’
Terwijl ze haar de mascara geeft, kijkt Bea naar Annies make-uploze gezicht.
Aarzelend vraagt ze ‘Die mascara, ik zie geen mascara op uw wimpers?’
‘Nee, joh, schatert Annie, ‘jij bent nog zo’n jonkie, ik zal je wat leren en niet vergeten want daar kan je later je voordeel mee doen. Die mascara is niet voor mijn oogwimpers.’
Ze wijst naar haar buik, ‘die is voor daaronder. Als je zo oud bent als ik, is het allemaal grijs daar, dat wil je toch niet? Dat ziet er zo oud uit!’

 

Vijfendertig jaar later vertelt Bea me hoe ze vuurrood kleurde en zich verslikte in haar koffie.
En dat ze nog steeds Annies schaterlach hoort in haar hoofd als ze iemand dit verhaal vertelt.

 

2-2-20

Levenslang

Het wijze lijf herbergt levenslang
wat in het brein verloren ging:
stormwind door haren
zonnestralen op huid
hoe een mond lachte
hoe handen streelden
hoe een zoen voelde.

 

Ze rusten in rimpels, plooien en poriën
de resten van leven, herinneringen
aan voorgoed voorbij.

 

Ontstaan in een vijfwoordgedichtensessie met Aaltje op 24-1-2020 waarbij we elk een gedicht schreven waarin vijf willekeurig gekozen woorden verwerkt moesten worden.
In dit gedicht zijn dat: Huid, Mond, Resten, Wind, Wijze.

Woorden

Zijn mond leest ze van het papiertje,
zijn lippen lenig, zijn stem laag en traag,
‘haverbrood, pindakaas met noot, beschuit’
Langs de lettergrepen gloeit een hevige
honger naar handen, naar huid,
naar kussen, warm en graag en lang.

 

In de adempauze tussen wijn en fruit
herrijzen oude leugens, ‘je weet, je was
de enige, de mooiste, de liefste, die
anderen betekenden niets.’

 

Haar oren horen zijn boodschappen
haar huid huivert, haar hart huilt
haar stem verstomt.

 

Dit gedicht ontstond in een vijfwoordgedichtensessie met Aaltje op 24-1-2020.
We kozen vijf willekeurige woorden en verwerkten die elk in een gedicht.
Dit is mijn gedicht met de woorden:
Rijzen, Hevige, Papiertje, Woorden, Leugens.
Het werd op 31-1-2020 gekozen als een van de zes ultrakorte verhalen en gedichten van week 5 die opvielen in de Facebookgroep Schrijven Magazine Ultrakorte verhalen vanwege hun originaliteit, verrassende wending, kwaliteit of spraakmakendheid.

Onbereikbaar (Visioen)

Maandagmiddag om vier uur zie ik felle lichtflitsen.
Ze versmelten tot een oplichtend tapijt dat zeer doet aan mijn ogen.  
De uren daarna borrelen er uit het lichttapijt vlekjes in schitterende schakeringen lila, roze en paars, zacht zweven ze heen en weer.
In de loop van de nacht ontstaat een zinderend feest: de flitsen gaan uit hun dak, de vlekjes dansen steeds wilder rond.
Uitbundig vermeerderen ze zich.   
In het feestgedruis ploppen soms zwarte vierkantjes op, cijfers, hiëroglyfen.
Ik grijp ze maar steeds ontsnappen ze. 

 

‘Dat klinkt best wel stuk’, zegt zoon, ‘dat wordt een nieuwe, wil je weer een Samsung?’

 

21-1-2020
Gekozen op 24-1-2020 als een van de zes ultrakorte verhalen en gedichten van week 4 die opvielen in de Facebookgroep Schrijven Magazine Ultrakorte verhalen vanwege hun originaliteit, verrassende wending, kwaliteit of spraakmakendheid. 

Zweven 2/2

Wij hadden een gewoonte: als de ander vroeg: waarom hou je vandaag van me? mocht je alleen iets origineels zeggen.
Dat lukte, we werden erg goed in het verzinnen van alternatieven voor ‘ik hou van je.’
Maar als ik hem vroeg: waarom hou je van zweefvliegen? haperde hij.
Hij noemde het gevoel van vrijheid, los zijn, geluk.
Maar eindigde meestal met: ‘daar zijn geen woorden voor.’
Tot hij het gedicht ‘High flight’ van John Gillespie Magee tegen kwam: ‘die laatste regels, die komen in de buurt’:
’And while, with silent lifting mind I’ve trod
The high untrespassed sanctity of space,
Put out my hand, and touched the face of God.’
Vele jaren later hoorde ik ‘The lark ascending’ van Ralph Vaughan Williams en wist: deze muziek zegt waar hij geen woorden voor vond.

 

Tijdens zijn ziekte bleef hij zweefvliegen.
Ook toen hij zienderogen verzwakte, wilde hij naar Terlet.
Toen hij niet meer zelf reed, brachten oudste of een van de vliegvrienden hem naar Terlet.
Hij vloog tot ook dat niet meer ging.
Zittend in zijn gele stoel keek hij toe hoe zijn vrienden vlogen en genoot zichtbaar.
Weinig sprak hij over zijn naderend einde, wel zei hij eens dat een ‘fly-over’ bijzonder zou zijn.
Die kreeg hij.
En bijzonder was het:

 

 

Op 7 september 2001 brachten zijn vliegvrienden het zweefvliegtuig waarin hij het liefste vloog naar de begraafplaats.
De dragers reden hem in zijn kist van de rouwauto naar het vliegtuig.
Staande bij de kist en het vliegtuig keken we omhoog: een zweefvliegtuig vloog, voortgetrokken door een sleepvliegtuig, een wijde cirkel boven de begraafplaats.
Beide bewogen hun vleugels op en neer: een ‘final salute’ aan hem.
Door al het verdriet heen wist ik: dit is goed, een mooier afscheid bestaat niet.

 

Maanden later hoorde ik over de uitgebreide voorbereidingen voor deze ‘operatie’, vastgelegd in een lijvig draaiboek:
Officiële toestemming was nodig, stijg- en landverklaringen om op die dag op dat tijdstip op die plek het luchtruim te mogen betreden.
De route, inclusief alternatieven bij geen, weinig, of wegvallende thermiek, vanaf de Veluwe naar deze begraafplaats in het Groene Hart, werd na grondig onderzoek bepaald.
Die route werd onder andere bepaald door die landingsmogelijkheden: boeren werd gevraagd of, in noodgevallen, op hun grond geland mocht worden, ging iemand niet akkoord (en dat gebeurde) dan moest de route worden aangepast.
Een rooster werd opgesteld: welke vliegers bezochten de uitvaart, welke wilden en konden vliegen, wie begeleidde hen vanaf de grond, en reserves voor elk van hen.
Alles verliep vrijwel vlekkeloos.
Ik blijf hen dankbaar daarvoor.

 

December 2019
Het leven gaat door.
Leven zonder hem blijkt mogelijk, vindt zijn vorm.
Op een kille decemberdag in 2019 bezoeken zonen en ik de uitvaart van een dierbaar familielid.
Als we bij het graf staan en luisteren naar het gedicht ‘De steen’ van Bram Vermeulen, dat wordt voorgedragen, klinkt in de verte een zacht gezoem.
Ik kijk omhoog, stoot zonen aan: een motorzwever vliegt over.
De motor veroorzaakt het gezoem, natuurlijk is er geen thermiek op deze druilerige natte decemberdag.

 

Er zullen aardse verklaringen zijn waarom er midden in de winterstop (zweefvliegtuigen gaan de opslag in van eind oktober tot eind maart) nu en hier een zweefvliegtuig overvliegt.
Maar wij glimlachen en knipogen naar elkaar.
Troost kent vele vormen.

 

17-1-2020