Calm after the storm

Hijgend zwoeg ik het duin op naar mijn bankje, veeg het zorgvuldig droog en ga zitten.
Achter me zoemt het verkeer op de boulevard in een ritme van rijden, afremmen voor overstekende strandgangers en weer optrekken.
Voor me zucht de zee, moe van het uren durende onweer van vanmorgen.
Ik zucht met haar mee, uitgeblust na een stormachtig jaar.
De lucht voelt klam na alle plensbuien.
Restanten stormwind vlagen om me heen, waaien al wat los ligt weg.
Een waterig zonnetje worstelt zich door het grijs.
Ik haal diep adem, hou even vast, adem langzaam uit.
Weer een jaar voorbij en wat voor een jaar.
Genietend lik ik van een bolletje stracciatella en een bolletje malaga ijs.
Eindelijk tijd voor zoet.  

 

 

26-5-2024

Levend

Iemand vroeg: ‘Wanneer voelde jij je heel erg levend?’

 

Een klaslokaal in Rotterdam op een septemberavond in 1980.
Ik ben zevenentwintig en na zeven jaar thuismoederen, ga ik op aandringen van man, weer naar school.
En daar, bij de eerste les sociologie van de MBO Sociale Dienstverlening, gebeurt het.

 

De docent vertelt over de thema’s die we de komende drie jaar gaan onderzoeken. Over sociale ongelijkheid, over migratie en integratie. Over sociale netwerken, in organisaties, in relaties, in families.
Hij geeft een paar voorbeelden: wat betekent het voor een mens dat hij is geboren en opgegroeid in een klein dorp? Of in een drukke stadsbuurt?
Ik ga rechter zitten, geboeid volg ik zijn verhaal.
Hij ziet mijn blik en vraagt mij: ‘Jij bijvoorbeeld, waar ben jij geboren? Opgegroeid? Wat kenmerkte voor jou het leven daar?

 

Blozend en bloedverlegen stamel ik wat, de vraag overvalt me.
Maar hij moedigt me aan, en dan rollen er woorden, zinnen uit mijn mond.
Geen idee waar ze vandaan komen maar ze stromen.
Het is alsof een tot dan toe slapend deel van mijn brein wakker wordt.
En meteen los gaat.
Die avond, al vertellend en luisterend naar verhalen van collega cursisten, vallen er kwartjes.
Een tsunami van vallende kwartjes, die de jaren daarna aanhoudt.

 

Tot die avond betekende leren: luisteren, het gehoorde en gelezene, in mijn hoofd stampen en reproduceren.
Schriftelijk bij examens en later ook in de praktijk, als leerling-verpleegkundige die de taken uit haar werkboekje moet uitvoeren en laten aftekenen.
Wat ik dacht, vond of ervaarde, maakte geen deel uit van leren.
Tot nu.

 

Waarschijnlijk oog ik aan het eind van de avond rustig, in de metro, de bus, lopend naar huis.
Maar mijn lopen voelt als dansen.

 

Als ik binnenstap, vraagt man, die weet hoe ik opzag tegen weer in de schoolbanken zitten maar dat desondanks erg stimuleert: ‘En?’
Ik straal en vertel honderduit.
Hij lacht: ‘Zie je nou wel?’

 

19-5-2024

Waarheid Nostalgiemuseum

In de tweede ronde van onze laatste dichtsessie kozen we willekeurig deze vijf woorden en verwerkten die in een gedicht:
Zware, Bepalingen, Museum, Waarheid, Nostalgisch.
Dit is Aaltjes gedicht met die woorden:

 

Waarheid

 

Museum, huis van nostalgie.
Waar zielenwaarheid hangt of staat
in onbetaalbaar zware donkerte
samen met maanverlichte gouddukaten,
perfect en afgewogen uitgebeeld.
Gedoodverfde bepalingen gelden.

 

Ik wil wel directeur zijn.
Dan toon ik nostalgisch lege muren
met nieuwe kleren van de keizer.

 

 

En dit maakte ik met die woorden:

 

Nostalgiemuseum

 

 

Ergens tussen vroeger en vandaag
ligt een omfloerste schatkamer

 

behangen met fluwelen lichtheid
zonder beperkende bepalingen wars

 

van wetten en vol van een onbevangen
kostbaar voorbij maar nooit vergeten

 

een klein en veilig heiligdom onvindbaar
voor wie nooit omziet, waar zwaarte
niets weegt en waarheid niets waard is

 

 

13-5-2024

Lotgenoten, twee CorAaltjes

Aaltje en ik deden onlangs weer een mooie dichtsessie.
Deze keer kozen we vijf willekeurige woorden uit een boek van Ilja Leonard Pfeijffer: Grand-Hotel Europa.
Deze woorden verwerkten we allebei in een gedicht:
Lotgenoten, Minstens, Even, Liefdevol, Nadenken.

 

Aaltje schreef dit gedicht:

 

Lotgenoten bij brood,
minstens een bed een tafel.
Oorlog. Oorlog. Oorlog.
Dood aan:
Joden, Palestijnen
Russen, Syriërs,
Irakezen, Iraniërs,
Koerden. Wat even. Wie volgt?
Haat en wraak, wraak en haat.
Vluchten kan niet meer.
Opgesloten.

 

Weggejaagd worden.
Dit koud kikkerland
Deze door jou nooit
begroete onbekenden.
Niet verstaan,
gewoon, lotgenoten,
een tent, minstens brood,
een tafel en een bed.
Even nadenken.
Even liefdevol
Even liefdevol nadenken.

 


Dit is mijn gedicht:

 

Lotgenoten

 

Altijd eerst aarzelen zal ik wel
of niet of zijdelings of heel even

 

bang opkijken een knikje krijgen
een liefdevol lachje vangen en dan

 

hakkelen stamelen haperen maar
het lukt minstens een minuut

 

zonder nadenken of dit wel kan
moet mag en hoezo durf ik dit

 

stotter ik over jou over mij over ons over
toen en over hoe we ondanks alles

 

toch
samen

 

 

8-5-2024

Utrechtse nachtmerrie

Het is 1980, we zijn net verhuisd.
Naar een hoekhuis met een voor- en achtertuin.
Ik stop de kinderen in als man onder aan de trap roept: ‘buurman op tv.’
Snel kusje, ‘see you in the morning’, en naar beneden.
Daar zie ik onze oud buurman Guus uit Utrecht in Toppop.
Sjokkend op een pony playbackt hij: ‘Canyon to canyon’, in een omgeving die meer lijkt op de Soester duinen dan op een Amerikaanse canyon.
Maar het is Guus gelukt: hij heeft eindelijk een solohit(je)!
Ik gun het hem.

 

‘Canyon to canyon’ blijkt een ‘onehitwonder’, het staat in 1980 een paar weken in de top 40 en sindsdien belandt het een keer in de onderste regionen van de top 2000 en komt nu nog af en toe voorbij in programma’s met golden oldies zoals de Arbeidsvitaminen.

 

Altijd als ik het nummer hoor, brengt het me terug naar een zomernacht in 1977  (twee jaar voor Canyon to canyon uitkwam) in onze gehorige Utrechtse flat.
We slapen, ook jongste die veel last heeft van zijn zoveelste oorontsteking.
Tot stampende voeten in het trappenhuis de stilte verbreken.
De geluiden verplaatsen zich naar de flat pal boven ons.
Stemmen lachen en praten luid, voeten stampen door de kamers.
Pianotonen klinken, er wordt gejoeld, een gitaar zet in, tromgeroffel klinkt en buurman zingt.
Zoals vele nachten eerder weergalmen de symfonische rockklanken van buurmans band Solution boven ons hoofd.

 

Maar nu is mijn kookpunt bereikt, mede door de dagen en nachten met een ziek kind.
Ik schiet overeind, grijp de opnieuw huilende jongste uit zijn bedje, deponeer hem naast zijn vader in ons grote bed en fluister: ‘Hij is wéér bezig en nou maak ik er een eind aan!’
Man roept nog wat maar ik grijp mijn ochtendjas en ren op blote voeten naar boven.
Haal diep adem, bel aan.
Zonder resultaat natuurlijk, de muziek overstemt alles.
Ik hou mijn vinger een minuut op de bel.
Niks.
Dan begin ik te bonzen op de deur, minutenlang tot ineens de deur open gaat en buurman vrolijk roept: ‘Ha buurvrouw, kom binnen.’
Wàt?
Ik schreeuw: ‘Ik wil niet naar binnen, ik wil slapen.’
“Welterusten dan’ zegt buurman.
Hij heeft duidelijk geen idee.
‘Wij willen slapen maar wij kunnen niet slapen door deze herrie.’
‘Herrie? Je bedoelt onze muziek?’
Ik knik, verbijsterd, hij lijkt het echt niet te begrijpen, tranen rollen over mijn wangen.
Langzaam valt het kwartje bij hem.
Hij zegt sorry, vertelt dat hij met zijn bandje na het geweldige optreden van gisteravond nog even een kleine afterparty houdt.
Hij heeft er niet aan gedacht dat hij daarmee buren stoort want zelf is hij een nachtmens.
Sorry sorry sorry.
Hij klinkt ontwapenend eerlijk, ik geloof hem.
Zuchtend knik ik ‘oké’, druip af naar beneden en kruip in bed.
Luister hoe in het daaropvolgende uur nog een riedeltje klinkt, een drumsolo, een lachsalvo, gestopt na hard gesis.
Gestommel op de trap.
Om half vier is het eindelijk stil.

 

Nog altijd als ik ‘Canyon to canyon’ hoor, zoals daarnet in de Arbeidsvitaminen, zie ik ons weer tegenover elkaar staan in die zomernacht lang geleden: een machteloos huilende boze vrouw in ochtendjas op blote voeten en die bevlogen klaarwakkere gelukkige muzikant, nog helemaal in de roes van zijn optreden een paar uur eerder.
Ik snap ons allebei.

 

Enne, ik zing het nummer mee, vanzelf want het is gewoon een lekker nummer.

 

2-5-2024

Mensrecept

Weeg af:
een goede nachtrust 
zes kilo solide betrouwbaarheid
vijf milliliter vinnig venijn
veertig ponden lichte liefde
vier handen vol aandacht
zeven goede grappen

 

Meet af:
een decimeter onbedoelde dreun
de diameter van een struik pioenrozen in de knop
de afstand in onbegrip tussen de prefrontale cortex en de linker hartboezem
de verzamelde energie in kilojoules van alle zeven chakra’s
de lengte in minuten van zes binnenpretjes per uur
een vierkante meter lef
veertien vleugjes verdriet

 

Tel alles op.
Vermenigvuldig de uitkomst met het kwadraat van humor maal zonlicht.
Meng dat met twee handen en een knipoog en kneed het tot een samenhangend deeg.
Verwijder schimmels en schilfers en scherpe stukjes zinloosheid en voeg druppelsgewijs relativeren toe tot het mengsel glad en smeuïg oogt.
Deel het dan door de lengte van een opgeheven linker middelvinger. Laat dit zeven decennia rijpen.
Schud het zachtjes wakker.
Kijk.
Koester.
Deel uit.

 

juni 2016

Dans

Onschuld oefenen, verbaasd wenkbrauwen optrekken
handen spreiden in onbegrip, verbijsterd rondkijken
vaagpraat stamelen, vaak, heel vaak, sorry zeggen

 

Vanuit een ivoren toren verhalen afvuren in het publiek
wijzende vingers ontwijken, onweerlegbare feiten ontkennen
met wik- en weegwoorden langs de waarheid glijden

 

Rampen verpakken in simpele sprookjes of ze opblazen
tot horrorverhalen, censuur verzwijgen, zorgelijk
kijken, vragen omzeilen tot ze vanzelf verstommen

 

Of: blaas rookgordijnen losjes aan flarden, ontmantel
onzinargumenten, veeg de vloer aan met loze beloftes
goochel met apekool, zoek de ruimtes tussen walgwoorden

 

en ontsluit die voorzichtig, zoek gelijken en groet
de zachte krachten in elkaar, omarm ze met warme
harten, versmelt in mededogen en

 

dans

 

 

september 2022 in het kader van de cursus Dichten voor gevorderden
maar zo actueel …

Wouter en LJ

In Leiden komen ze de coupé in, kijken rond en zetten zich, zonder hun gesprek te onderbreken, op de bank naast me.
De een, slank, rode pantalon, donkerrood colbert, roze strikdasje, volle Beethovenhaarbos, fronst en vraagt: ‘Zeg Wouter, als jij zegt dat alles vergeestelijkt, wat betekent dat dan voor het dagelijks leven?’
Wouter, kaal, gezet, slecht passende donkerblauwe pantalon en een trui waar hij zichtbaar in woont, antwoordt enthousiast: ‘Weet je LJ, in wezen is het simpel: het dagelijks leven vergeestelijkt, daarbij gestimuleerd door psychoanalyse want dat is een methode voor herleefde vergeestelijking. Immers, therapie is gebaseerd op de vraag: wat gaat u volgende week doen en bent u daar klaar voor? En klaar moet je wel zijn want doen en materie voorzien je alleen van energie voor je huidige leven. Niet voor een volgend leven, dat is virtueel, niet fysiek en niet materieel. Hoewel …’
Hij stopt, peinst tot LJ aanmoedigend knikt: ‘Hoewel de materialisering van de geest nooit helemaal weg is natuurlijk.’
Hij gaat verzitten, kijkt zoekend rond, ‘Heeft de NS ook toiletten?
LJ wijst naar het bordje met pijl.
Steunend komt Wouter overeind en volgt de pijl.

 

Weer terug installeert hij zich zuchtend tegenover LJ.
Die vraagt: ‘Zeg Wouter, ben jij zelf klaar voor dat volgende leven? Zou je daar, met deze specialisatie, ook psychiater kunnen zijn?’

 

Wouter glimlacht: ‘Wie weet? In feite is leven een zoektocht naar het kunstwerk dat jouw leven verbeeldt. Op social media zie je dat zoeken naar zingeving ook volop. Alleen, het elkaar intuïtief begrijpen, dat is er daar vrijwel nooit bij inbegrepen. En dat is precies het verschil met de zoektocht waar ik op doel, die naar en in het volgende leven. Die zoektocht is veel grootser, die is het ultieme antwoord op de dood.’
Hij zucht: ‘Maar de taal om dit therapeutisch te verwoorden is zo weerbarstig, er bestaat een serieuze kloof tussen de woorden en deze zaken. Daar ben ik nog lang niet uit LJ.’

 

LJ knikt: ‘Tegelijk is er weinig zo boeiend als deze vragen. Praat je hier ook met Emilie over?’
Wouter schiet in de lach, knipoogt: ‘Wat dacht je zelf? Dan begint ze meteen te gapen.’
Hij schuift heen en weer, komt overeind, ‘Mijn prostaat zit mijn vergeestelijking steeds meer in de weg.’
Zijn ogen speuren naar het bordje.
Weer sjokt hij in de richting van de pijl.

 

6-4-2024