Wie weet nog

weer iemand weg die
me kende van voorheen
voorgegaan naar de vage
verte waar ook ik ooit eindig

weer iemand weg die
mijn vroeger kende opfriste
corrigeerde ordende deelde
in dierbare weetjenogs

steeds vaker dartelt mijn brein
in de leemte die ze achterlaten
schuurt scherpe hoeken tot zachte
ronde vormen boetseert nieuwe beelden

herschrijft eigenzinnig zwaarte naar
vederlicht, blaast weg wat me niet
bevalt en ontdekt: eigenlijk ben ik een
geadopteerd Spaans prinsesje in de kou

15-3-2026

Erecode

Dat liefde wegsijpelde in
stilstand en gedijde in
de wrijving tussen onze
werelden waar bewegen
botsen betekende en dode
hoeken veiligheid fileerden

 

Hoe we excelleerden in
kietelen met plaagstootjes
in porrend strelen. Hoe
we na elk terug deinzen
piketpaaltjes plantten die
nogo-area’s markeerden en

 

Zo ons thuis veilig
stelden vrijplaats waar
vaagpraat uitdoofde stilte
volstond en wij blindelings  
elkaar vonden hervonden
floreerden als nooit eerder

 

Wonderlijk hoe in
mijn lange achterblijven
na jouw vroege voorbij  
onze schuilplaats voelbaar blijft

 

28-2-2026

 

Inspiratie:
Mijn dichtvermogen stond lang op een laag pitje maar onlangs kriebelde het zich weer naar voren.
Ik meldde me aan voor weer een online poëziecursus voor gevorderden bij Margreet Schouwenaar.
Best spannend want die lessen zijn pittig, de dichtopdrachten uitdagend en de feedback vaak niet mis.
Maar toch gedaan.
De eerste les ging over Leonard Nolens en de bijbehorende dichtopdracht inspireerde me tot bovenstaand gedicht.
Ik bloos nog na van de lof van Margreet …
Ik kan nog/weer dichten!

Teach your children well

Heus, we lazen wat Harris, Hellinger
en Skinner vonden, vermeden ruzie
boomden over straffen en belonen
labelden waaghalzerij als kattenkwaad
keken Koot en Bie en waren allemaal O.K.

Maar volstond ons knuffelquotiënt en
raakten we jullie niet te veel aan of te
weinig, luisterden we wel met aandacht
gaven we jullie voldoende vrijheid en
was er genoeg pindakaas en blijheid?

Alle wijsheid ten spijt deden we
vaak maar wat we dachten dat
goed leek en keken toe hoe geluk
groeide met griefjes die overleefden
als onuitroeibare vergeet-me-nietjes

22-2-2026

Inspiratie:
‘You, who are on the road
Must have a code you try to live by
And so become yourself
Because the past is just a goodbye’

Uit ‘Teach your children well’ van

Het album Déjà vu, uit 1970
Crosby, Stills, Nash & Young

Te laat

Jij kwam te laat
altijd en overal
bleef lang plakken
ging te vroeg

Ik kom vroeg
altijd en overal
vertrek bijtijds
ben er nog

Soms speel ik met
je horloge zoek jouw
knop voor later losser
langer. Vergeefs.

11-2-2026

Geinspireerd door de schrijfopdracht in de Facebookgroep Ultrakorte Verhalen van deze week:

‘Schrijf een UKV (met een humoristische inslag) waarin je protagonist (of de antagonist) te laat komt – of is – voor iets belangrijks’
 

In the calm after the storm

Dit was de schrijfoefening deze week in de Facebookgroep Ultrakorte Verhalen #5-2026:
‘Iemand heeft een emotionele uitbarsting – boosheid, verdriet, angst, stress.
Wat doet je Hoofdpersoon met deze uitbarsting van deze persoon?’

 

 

Ik zag ze dit doen:

 

Gesticulerend met een aardappelschilmesje vuurde ze uit het niets een salvo  verwijten op hem af.
De eerste lading raakte hem voluit.
Hij verstijfde, dook in elkaar, zocht  en vond het platgetreden pad:
verdwijn in je cocon, blik naar binnen, voel je lijf, adem in,
vasthouden, langzaam loslaten.
Ging best goed.

 

Tot iets witheets vanuit zijn tenen omhoog schoot.
En hij, zonder scheldwoorden zelfs, haar verwijten pareerde.
Twee kemphanen, in de coulissen gesouffleerd door kuddes ouwe koeien.
Van haar, van hem, van hen samen.

 

Pas ‘in the calm after the storm’, herinnerde hij zich de vuistregel: liefde.
Liefde voelen, uitspreken, geven, delen.

 

8-2-2026

Salto

Ik vermaakte me prima, gaf voorzetten, danste en deed salto’s.
Alleen die laatste salto, hij startte perfect maar ineens lukte het niet meer om terug te draaien en werd ik met mijn voeten vooruit naar de uitgang geduwd.

 

Daar verwelkomde een kamer vol witte jassen me.
Nog voor mijn hoofd zich naar buiten had gewurmd, zagen zij al dat ik een jongetje was.
Ze stootten elkaar aan en staken hun duim op.
Kort daarna vertrokken ze en nu lig ik op de buitenkant van mijn moeders buik.
De binnenkant was knusser en warmer maar hoera, er is hier veel meer ruimte voor salto’s.

 

20-1-2026

 

Inspiratie:
het thema van de schrijfoefening van deze week in de Facebookgroep Ultrakorte Verhalen: 
‘Hallo baby, daar ben je dan! Hoe was je reis? Hoe was de aankomst? En hoe zag je dag eruit? Beschrijf de eerste dag van je leven vanuit het ik-perspectief.’

Dijkreis

Het laaghangende regenscherm gaat links naadloos over in de IJssel en rechts in weilanden en polderdorpen.
Behendig manoeuvreert de chauffeur de bus van halte naar halte over de smalle kronkelende dijk.
Gedaantes in regenkleding stappen uit en andere in.

 

Vóór me giechelen twee meisjes boven hun schermpjes.
Achter me kibbelt een grijze vrouw met een kale man over de route.
Ik luister, ruik de geur van natte jassen.
Mijn wijsvinger trekt lijnen over het beslagen raam.
Achter elke streep doemt een flard buitenwereld op.

 

Gisteren en morgen blijven buiten.
In deze rijdende baarmoeder ademen wij elk ons eigen heden.

 

18-1-2026

 

 

Inspiratie: in de Facebookgroep Ultrakorte Verhalen was deze week de opdracht:
‘VAN POËZIE NAAR PROZA
Neem een bekend gedicht en maak hier een UKV van.
Je hoeft het gedicht niet letterlijk te nemen. Laat je inspireren. Het is aan jou of je meteen het gedicht wil noemen of dat je het (eerst) aan de lezer overlaat of het gedicht duidelijk is.’
Ik koos voor het gedicht ‘Afsluitdijk’ van de dichter Vasalis

Sail on silver girl

1967 – 1975
Dagelijks loop ik de Bachweg af, een stukje door het Randenbroekerbos, naar het Corderius College (toen nog Lyceum).
Op een herfstdag, op de terugweg, stop je naast me: ‘Zal ik een eindje mee lopen?’
Het begin van een onvergetelijke vriendschap.

 

Vraag jij na een paar weken ‘zullen we nog een rondje doen?’
Of doe ik dat?
Soms doen we wel drie rondjes Randenbroekerbos voor jij opstapt en naar Barneveld fietst en ik naar huis loop.
De oude bomen in het Randenbroekerbos horen ons praten over poëzie, onze boekenlijst, het leven.
En over docenten.
Jij haat de engerd van Engels.
Ik raak in paniek van de onbegrijpelijke woordenstroom die onze wiskundedocent uitstoot.
Regelmatig belanden we in een onstuitbare slappe lach om die stomme docenten.
Behalve om die van Nederlands.
We delen leeservaringen, discussiëren over onze leeslijst, wisselen tips uit.
Ik ben dan al dol op poëzie, Adriaan Roland Holst is mijn favoriet.
Jij vindt hem theatraal.
Toch geef je me zijn ’Winter aan zee.’
Ik geef jou ‘Voor wie ik liefheb wil ik heten’ van Neeltje Maria Min.
En allebei adoreren we de gedichten van Vasalis.
Maar ook de Beatles, Led Zeppelin en o ja: Melanie!
En natuurlijk Bob Dylan.
En Boudewijn de Groot.

Af en toe vraag je hoe het met mij is en hoe het thuis gaat.
Dan klap ik dicht.

 

In schoolvakanties bel je soms ’s avonds.
De eerste keer vraagt mijn vader: ‘Wat had ze?’
Want de telefoon is alleen bedoeld voor volwassen en belangrijke zaken.
Ik hakkel wat over huiswerk en zo.
Niet belangrijk in zijn ogen dus stuift hij regelmatig de ijskoude gang in als ik daar met de bakelieten telefoon aan mijn oor sta te giebelen of te zwijgen met jou.
Dat mijn zorgelijke somberte door ons contact lichter lijkt, besef ik nauwelijks, laat staan dat ik er woorden voor heb.

 

In 1970 slagen we voor ons HAVO examen.
Jij gaat een jaar naar Brussel als nanny en verhuist daarna naar Amsterdam, doet de opleiding fysiotherapie en daarna psychologie.
Ik kies voor de interne opleiding psychiatrische verpleegkunde in Zeist.
Spannend vind ik het en dat zie je aan me, je stuurt me een kladblokblaadje met alleen maar ‘sail on silver girl’ erop.
Uit ‘Bridge over troubled water’ van Simon and Garfunkel, ook een favoriet van ons.
Het hangt jaren boven mijn wastafel.

 

Ik ontmoet een vakantieliefde die veel meer blijkt dan dat.
Je leeft mee.
Als ik het uitmaak (ik kan me niet herinneren waarom) kom je en treft me ongelukkig aan op mijn kamer met Rod Stewarts ‘Someone like you’ keihard op repeat op mijn platenspelertje.
Je troost me en kijkt het even aan.
Dan sta je op en zet Rod af: ‘Ik word knettergek van dat nummer, het is helemaal niet uit, ga die vent bellen!’

 

Dat doe ik.
Je bent eregast op ons huwelijk en we beloven dat onze dochter jouw naam krijgt.
Maar we krijgen twee zonen.
Nu zouden we van Ellen misschien Alan hebben gemaakt.
Maar toen kwam dat niet in ons op.

 

De jaren daarna verflauwt ons contact.
Jij studeert, ik ben thuismoeder tot de jongste naar school gaat.
Vanaf dan volg ik opleidingen en supervisietrajecten en heb banen in zorg en welzijn.
Ik bloei op.

 

1990
In 1990 zie ik een aankondiging van een reünie van het Corderius.
Het triggert me: ik denk terug aan ons contact en besef hoe belangrijk jij bent geweest in mijn puberteit en de jaren daarna.
Je was er voor mij.
Hoe kostbaar is dat.
Het is tijd om dat uit te spreken.

 

Ik zoek uit waar je nu woont, bel en zeg dat ik je iets wil zeggen.
Je nodigt me uit.
Op een novembermiddag bel ik aan, ergens driehoog achter het Amstelpark.
We kijken elkaar aan, er is ongemak.
Ik begrijp niet waarom dat er is maar verzamel moed en vertel kort over de zorgelijke sombere puber die ik was en over thuis.
Dat ik nu zie hoe belangrijk ons contact voor me is geweest.
Ik bedank je uit de grond van mijn hart, je was een van de eerste mensen die me echt zag, luisterde, meeleefde.
Dat zeg ik allemaal.
Je knikt, vraagt hoe mijn leven er nu uitziet.
Ik vertel over relatie, zonen, vrienden, studies, banen.
Als ik zwijg, zeg je, bijna verbaasd: ‘Je hebt leren praten.’
Ik knik, de stille verlegen puber is inderdaad ver weg.
Zeg dat ik nieuwsgierig ben naar jouw leven, hoe gaat het met je, wat wil je, wat doe je, heb je plannen?

 

In de trein terug besef ik: je ontweek mijn vragen of gaf korte algemene antwoorden.
Weer thuis vraagt man hoe het was om je te zien en hoe het met je gaat.
Ik vertel dat ik dat eigenlijk niet weet.
Dat het ongemak van het eerste ogenblik niet week.
Was het een vergissing?
Had ik je niet moeten opzoeken?
Niet zoveel moeten vertellen?
Ik twijfel.
In de maanden daarna bel ik je, een moeizaam gesprek volgt.
Ik stuur je nog een keer een kladblaadjesbrief zoals we die vroeger aan elkaar stuurden.
Geen reactie.
Ik laat het los.
Maar blijf koesteren wat je destijds voor me betekende.

 

2025
Halverwege vorig jaar zie ik dat er een reünie is van onze school.
Het revalidatietraject waar ik in zit, belemmert me om te gaan.
Mijn gedachten dwalen terug naar toen.
Naar jou.
Nieuwsgierig google ik je naam.
Staar minutenlang met bonzend hart naar een rouwkaart.
Herinner me een fietstocht waarbij ik halverwege hijgend afstap en mopper: ‘Hoe doe jij dit? Waarom word jij niet moe?’
Hoe je schatert: ‘Omdat ik veel jonger ben dan jij!’
Hoe ik proest.
Want je bent maar vier maanden jonger dan ik.

 

De weken daarna lees ik steeds opnieuw de kaart.
Hoe je bent ‘weggegleden in vrede.’
En:
‘In de stilte voorbij woorden
In het licht voorbij vormen
Reist Ellen naar het Ongeziene
Maar blijft herinnerd in ons hart.’

 

Ja.
Ik blijf dankbaar voor wie je bent in mijn leven.
Wat we hadden, blijft in mij.

 

Sail on silver girl

 

12-1-2026

Meespelen

Twee keer per dag brengen en halen wij, moeders, ons kroost naar en van de (toen nog) lagere school.
Lopend of soms met de fiets.
Vaders namen nauwelijks deel aan dit ritueel.

 

Die ochtend, het zal begin jaren tachtig zijn geweest, voegt zich een nieuwe moeder bij ons.
Ze stelt zich voor, vraagt naar onze ervaringen met deze school.
We praten tot de schooldeur opent en er een golf gillend grut uitstroomt.
De mijne heeft geen haast zie ik, hij is nog druk in gesprek met vriendjes.

 

Terwijl ik op hem wacht, sla ik gade wat er naast me gebeurt.
Het dochtertje van de nieuweling drentelt achter de groep aan, een klein meisje met een wijze peinzende blik.
Haar moeder loopt naar haar toe, knuffelt haar maar ze worstelt zich los.
‘Hoe was het in je nieuwe klas?’
Ze zucht: ‘Iedereen heeft hier al vriendjes.’
Het gezicht van haar moeder betrekt en ik leef mee, met haar en met haar dochter.
Een nieuw huis, nieuwe school, nieuwe buurt, het is ook niet niks.

 

Moeder aait over dochters hoofd: ‘Heb je meegedaan in het speelkwartier?’
Het meisje, beteuterd: ‘Ja.’
‘Dat is fijn. Toch?’
‘Mama, ik mag wel meespelen maar ze doen niet wat ik zeg.’
Haar moeder zwijgt, pakt haar hand, ‘Ga je mee naar huis?’
Het meisje knikt.
‘Wil je brood met pindakaas? Of hagelslag?’
Het kindergezichtje klaart op, ‘Pindakaas’!

Zo lang geleden, dit voorval, het wil niet weg uit mijn geheugen.
Ik blijf nieuwsgierig.
Of ze nog meespeelt, mág meespelen.
Of ze opkomt voor wat zij wil of zich aanpast.
Of ze de balans heeft ontdekt tussen geven en nemen.

 

3-1-2026