Woordenwasser

Aan mijn bureau voor het raam worstel ik met een gedicht.
Iets met vroeger, voorbij, verloren, verdriet.
Hoe verwoord ik dat zonder clichés, zonder herhalingen?
Als ik een synoniem zoek voor somber, kreunt het raam ineens.
Ik kijk op, recht in het gezicht van de grijnzende glazenwasser.
Met brede halen sponst hij de ramen, peutert de hoeken schoon, neemt en passant de kozijnen mee.
Zeemt dan secuur alles droog en mijn hoofd leeg.
Knipperend kijk ik naar buiten.
De zon schijnt uitbundig, de lucht is zomerblauw, de wereld is licht.

 

Schone ramen zijn een ramp voor dichters.

 

 

6-4-20

Zwachtel

(een verhaal van ver voor de coronavirusuitbraak)

 

Het is lente, zonnig, overal bot pril groen uit.
Vanachter het raam kijkt ze verlangend naar buiten.
‘Ma, zullen we naar buiten gaan?’
Ze knikt.
Ik ga op zoek naar een verzorgende want ma’s voet moet nog gezwachteld.
De dienstdoende verzorgende is druk maar ze komt zo, belooft ze.

 

Een paar minuten later stuift ze binnen.
Bezweet vraagt ze me, boven mijn moeders hoofd, ‘Moet ze echt gezwachteld, ik ben niet bevoegd en ik sta alleen, er is geen zwachtelbevoegde vandaag.’
‘Ja, haar voet moet gezwachteld, anders wordt hij dik als we zo naar buiten gaan. Kan je het wel, zwachtelen?’
Ze knikt.
‘Doe het dan maar, op mijn verantwoording.’
Ze zwachtelt ma’s voet.
‘Au’ klaagt ma.
Weer vraagt de zwachtelzuster me boven haar hoofd: ‘Kan ze niet een keer zonder?’
Weer zeg ik: ‘Nee, dan wordt haar voet erg dik als we naar buiten gaan.’
Ze maakt de zwachtel los, begint opnieuw.
Mijn moeder grimast, verbijt zich.
‘Als ze het niet wil, doe ik het niet hoor.’
Na de derde poging lopen de tranen over mijn moeders wangen.
‘Laat maar, ik wil niet naar buiten, ik ben iedereen tot last.’

 

13-9-2018 

Kaart

We praatten over vroeger, kwalen, kinderen.
Haar nuchterheid en mijn ironie maakten het leven behapbaar.
Nuchter bleef ze, tijdens onderzoeken, na het slechtnieuwsgesprek.
Ik weifelde, ging toch naar haar toe.
Coronaschone handen, niets aanrakend, op anderhalve meter afstand.
‘Stel je niet aan’ zei ze.
‘Ik wil je niet besmetten.’
‘Ik ga toch dood.’
En toen lachten we toch als vanouds.

 

Nu, in een hospice ver weg, is ze te moe om te bellen, te appen.
Kaarten sturen mag nog, zegt haar dochter die vertelt hoe hard haar moeder achteruitgaat.
Tientallen kaarten gaan door mijn handen.
Ik vind de goede niet.

 

30-3-2020
Dit verhaal werd op 3-4-2020 gekozen als een van de vijf ultrakorte verhalen van week 14 die opvielen in de Facebookgroep Schrijven Magazine Ultrakorte verhalen vanwege hun originaliteit, verrassende wending, kwaliteit of spraakmakendheid. 

‘Dit is wat je wilde, hè Margje?’

(fantasie naar aanleiding van een tekst op een grafsteen)

 

‘Ja, nou kijkt u of u het niet gelooft maar echt waar, dat wilden ze op die grafsteen! 
Eerst dacht ik, ik hoor het niet goed, maar nee, deze woorden moesten erop.
Die mensen, de moeder en de drie broers van de overledene, ze waren wel verdrietig hoor, maar gek, ze leken ook wel opgelucht.
Ik heb veel meegemaakt in de grafmonumentenhandel, vreemde namen, rare teksten, mooie kunstobjecten, maar dit nog nooit.
Maar goed, je wil je deelneming betuigen en dus vroeg ik voorzichtig of het een lang ziekbed was geweest.
Zei die ene broer: ‘Ja een leven lang’
En ik denken, wat bedoelt hij nou?
Op de steen staat dat ze 44 was geworden, zou ze gehandicapt zijn geweest of chronisch ziek of zo?
Die moeder zag mijn vragende gezicht en zei zuinigjes ‘‘Ja, dat klopt, wat hij zegt, ze wist gewoon niet hoe ze moest leven, ze leed aan het leven. Ze wilde zo graag wat ze bij anderen zag en dat probeerde ze iedere keer weer, ze deed zo gruwelijk haar best om er wat van te maken. Maar haar gezicht bleef altijd zo ongelukkig staan. Je zag gewoon dat het haar niet lukte. En toch, we wisten niet dat ze dit ging doen.”
Ze vertrok haar gezicht, toen ging ze verder:
En hoe ze het allemaal ongemerkt tot in de puntjes had voorbereid. Het ging precies zoals ze het had georganiseerd, ze is pas gevonden toen ze al koud was. En naast haar lag een brief dat ze niet meer kon, en waar we alles konden vinden, en hoe ze het wilde, de begrafenis. Er lag zelfs een foto bij van deze steen, die wilde ze, en hoe duur die was en waar het geld was.
Alleen de tekst, voor op de steen, die had ze niet verzonnen, dus dat doen wij nou maar.’’

 

Nog een keer vroeg ik: ‘Dus u wilt echt deze tekst: ‘Dit is wat je wilde, hè Margje?’
Maar deze woorden moesten het zijn, zo wilden ze het.
En nou vraag ik me af, wat zouden de mensen nou denken als ze hier op de begraafplaats langs deze steen lopen?’

 

12-9 2015 

Randenbroekerbos

Verlangen groeit in stiltes waar kilte
kraakt als je een foute opmerking maakt
waar aandacht zoek raakt in oude dromen
en ongeduld smaakt naar Chief Whip en Omo

Melancholie loopt blootvoets in oktober
schopt herfstblad rood en geel, zwiept
verdriet door naakte takken, schuilt in woorden
op losse kladblaadjes dicht beschreven

Daar woont vertrouwen, wordt weemoed
geluk, groeien woorden voor verrukt. Tussen
eiken rijst de eenling op, spreekt vergeeft
beweegt, de eerste stap naar beter

 

juli 2018

Coronalente

1960
Oma leunt op het tuinhek, aan de andere kant hangt de buurvrouw haar was op.
Ze zeggen woorden die ik niet ken.
Ik pak mijn knikkerzak en ga naar ze toe.
Naast oma’s voet maak ik een knikkerkuiltje, aai stiekem haar been.
Ze voelt het, kijkt, knipoogt, ‘Lekker knikkeren, meiske.’
De zon, haar been, haar lach, alles is warm.

 

2020
Ik loop door de polder.
Geniet van het uitbottend groen, het bloeiend geel alom, de warme lentezon op mijn huid.
De lente stoomt hier op, onverstoorbaar en virusvrij.
Een fietser nadert, op vijf meter afstand van me stopt hij, stapt af.
Aarzelend kijkt hij me aan, vraagt dan: ‘Kan dit wel?’
Ik glimlach, knik automatisch: ‘Ja hoor.’
Hij stapt weer op, passeert me op het smalle pad.
We raken elkaar net niet.

 

Als hij voorbij is, zucht ik.
Besef dat ik mijn adem inhield.

 

19-3-2020
De 99woordenversie van dit verhaal werd op 20-3-2020 gekozen als een van de vijf ultrakorte verhalen van week 12 die opvielen in de Facebookgroep Schrijven Magazine Ultrakorte verhalen vanwege hun originaliteit, verrassende wending, kwaliteit of spraakmakendheid.

Het ei

Kwiek duwt ze haar rollator de laatste meters naar de voordeur.
Een buurman die net komt aanlopen houdt de deur voor haar open.
In haar tas grabbelt ze naar haar sleutels en haalt de post uit de bus.
Een heel stapeltje vandaag, gezellig.
Buurman heeft gewacht en houdt de liftdeur open.

 

Eenmaal in haar appartement ontdoet ze zich van winterjas en –laarzen, zet koffie en vleit zich met de post in haar stoel voor het raam.
Als ze de kaart ziet die bovenop ligt, schiet ze in de lach.
Zonder de afzender te zien weet ze al van wie hij is.
De donderstraal, wat is het toch een heerlijke meid, dat petekind van haar, hoe is het mogelijk dat haar saaie zus en die uitgedroogde krent zoiets moois hebben kunnen produceren.
Zelf is ze kinderloos gebleven en nu haar Bart is overleden is het stil om haar heen.
Maar Nelleke maakt dat meer dan goed.
Regelmatig komt ze langs, ‘effe bijkletsen, tante Nel’.
En dan stort ze haar hart uit, over vriendjes, over school, over haar toekomstdromen.
Maar ze steekt ook haar handen uit de mouwen.
Toen Nel moeilijk ging lopen en een rollator onvermijdelijk werd, testten ze het ding samen uit.
Uiteindelijk danste Nelleke op de muziek van Direct met het ding de kamer door: ‘Rocken met je rollator tante Nel.’
Ze gierden van het lachen maar het hielp, ze was direct over haar afkeer van het ouwemensenhulpmiddel heen.
En nu deze kaart van een gebakken ei:
Weer lacht ze hardop, wat een heerlijke herinnering aan hun laatste gesprek! Nelleke vroeg haar toen hoe ze oom Bart had leren kennen.
Nel vertelde dat ze elkaar in een jeugdherberg hadden ontmoet.
Hoe de vonk op een avond oversloeg en ze de avondklok van 11 uur, helemaal opgaand in elkaar, hadden genegeerd.
Spannend vond Nelleke dat en met een grote grijns en een knipoog vroeg ze: ‘Vertel tante Nel, hoe ver gingen jullie die nacht?’
Maar in de wereld van vandaag lijkt het ‘ver’ van toen kinderlijk onschuldig:
Ze dwaalden ’s nachts door het kleine Luxemburgse dorpje.
Ze zoenden en Bart zong voor haar.
Liedjes van Jaap Fischer, een populaire rebelse zanger in die tijd.
Nelleke kende hem niet, dus zong Nel uit haar hoofd ‘Het ei’ voor haar nichtje.
Een beetje haperend, maar toen Nelleke op haar tablet het nummer had gevonden, zongen ze samen uit volle borst:
‘ik kocht een ei, de melkboer zei…..’

 

Ik kocht een ei. De melkboer zei:
‘t komt zo onder de kip vandaan.
‘k ben nog te laat van huis gegaan om het mee te kunnen nemen.
Hier heeft u een jong leven, voor 16 cent of meer
en namens de ouders smakelijk eten meneer.
Het lag nog warm te leven in m’n hand.
Ik mikte reeds, zorgvuldig op de harde hete rand van de pan
en ik kon de geur al ruiken van dit al te vroeg geremde kuiken.
Toen het ei zei, toen het ei zei:
denk eens dat het een jongetje is dat je hier gaat staan bakken.
Denk eens dat het je broertje is dat zacht sist in de pan.
Denk eens dat ie verkrampt uit angst de rand probeert te pakken
en dat ie dan terug in de boter glijdt.
Wat dan, wat dan?
Ik rolde het zorgvuldig in een deken.
En heb toen zelf 2 weken liggen wachten op iets moois.
Slechts verwarmd door een hoop slechts verwarmd door een laken tot het ei begon te kraken.
En het kuiken zei, het kuiken zei:
haha het was geen jongetje dat je had willen bakken.
Haha het was je broertje niet dat in de pan was gegaan.
En ik had me weer voor de zoveelste keer door een kuiken laten verlakken,
maar de volgende dag at ik rijst
met hele jonge kip of haan.

Vragen

Onverwacht appt hij me, vraagt of ik mee wil gaan naar het ziekenhuis.
De huisarts heeft hem doorverwezen en erop aangedrongen dat hij iemand mee moet nemen.
‘Je kinderen?’
‘Nee, die hebben geen tijd.’

 

We zitten in de wachtkamer, drinken koffie, hij vertelt dat hij zich al een tijdje ziek voelt, veel is afgevallen.
Als de assistente zijn naam noemt, staat hij op, ik zeg dat ik hier op hem zal wachten maar hij vraagt of ik alsjeblieft met hem mee naar binnen wil gaan.
Anderhalf uur onderzoekt de geriater hem, doet tests, vraagt hem het hemd van het lijf.
Hakkelend antwoordt hij, stopt zinnen halverwege, zegt drie keer hetzelfde.
Ik kijk, luister, mijn verbijstering groeit.
Ze vraagt hem wat zijn beroep was, verward kijkt hij mij aan, ‘Wat deed ik ook alweer?’
Ik help, ‘Op de fabriek, weet je nog?’
Hij denkt na, zegt dan vaag: ‘O, ja, de fabriek.’
Ze vraagt hoe vaak hij zijn kinderen ziet.
Niet begrijpend vraagt hij: ‘Hoezo zien? Die wonen ver weg en zijn druk.’

 

Ze vraagt mij wat onze relatie is, of ik de mantelzorgformulieren wil invullen.
Ik zeg dat ik hem niet erg goed ken, we zijn oud-collega’s die af en toe ergens koffie drinken en herinneringen op halen aan lang vervlogen tijden.
Ze zucht.
Ik zie haar peinzen.

 

Ik weifel.

 

 

12-3-2020

Trip down memory lane

2-9-2011:
Een straat in Nijmegen.
‘Wat is het huisnummer?’ vraagt zoon.
‘43-39’ zeg ik zonder nadenken, sommige cijfercombinaties gaan een leven lang mee.
We tellen af tot we voor het huis staan.
Hier woonden we in 1973, ons eerste huwelijksjaar.
Oudste werd er geboren en wij werden er volwassen.

 

Jongste kijkt nieuwsgierig rond, hij kent dit huis alleen uit verhalen.
Toen we de sleutel kregen was het net opgeleverd, de wegen in deze nieuwe wijk waren nog niet aangelegd, winkels ontbraken, het was een half uur lopen naar het winkelcentrum in de aangrenzende wijk.

 

Het huis waar we voor staan, ligt verscholen achter een prachtige voortuin met hoge struiken en veel bloemen.
Hier wonen mensen met groene vingers.
Onopvallend proberen we een glimp op te vangen van het interieur.
Tussen de planten op de vensterbank door, ontwaar ik een zwart leren bankstel, grijze muren, een eiken wandkast.

 

Toen wij in het huis trokken, was het groot, klonk hol, de voor en achtertuin lagen braak.
Geen van beiden waren we ‘tuinmensen.’
In het jaar dat we hier woonden, kreeg de tuin weinig aandacht, hij werd een keer omgespit, soms belandde er een gekregen tuinplant, schoonvader plantte er een stekje van een krulwilg.
Aan het eind van de zomer tierde het onkruid welig.
Maar binnen was het een gezellig ratjetoe van krijgertjes: een zesdehands bankstel, oranje muur, bruine wand, paarse gordijnen, lichte vloertegels, de keukendeur beplakt met foto’s.

 

Zo zie ik het huis van toen voor me, als de dag van gisteren.
Maar niets aan dit huis waar we nu voor staan, bevestigt dat beeld.
Terwijl we langzaam doorlopen, vertel ik zoon verhalen uit een tijd zonder televisie en telefoon, ik hoor zelf hoe wereldvreemd ze klinken, ze staan haaks op wat we hier vandaag om ons heen zien.

 

Temidden van auto’s en spelende kinderen zoek ik naar de telefooncel, die stond hier toch aan de overkant?
Daar belde ik mijn moeder en vroeg hoe ik gehaktballen moest braden, en wat bedoelde ze nou precies met ‘een beetje zout en peper?’
‘Nou gewoon, een beetje, dat doe je op je gevoel’ zei ze.
Ik had geen idee en loste het op met een zakje kant en klaar-kruidenmix.
De telefooncel staat er niet meer.

 

Zoon stelt voor om te vertrekken, dat is goed, ik wil alleen nog even aan de achterkant kijken.
We lopen langs de achtertuinen, tellen af naar 43-39.
Maar al voor we bij de achtertuin van 43-39 zijn, zie ik hem staan, fier en meters hoog.
Ik wijs en juich, verrast, opgelucht: ‘Kijk, daar staat onze krulwilg, die heeft opa geplant!’

 

In de achtertuin van een huis in Nijmegen staat, veertig jaar later, nog steeds onze krulwilg.

 

 

9-3-20

Vindingrijk

Al vanaf zijn geboorte geniet Louk van aanraakspelletjes en samen ontdekten we een heel arsenaal: kleine kietels, grote kietels, knuffels, oortjes opeten, neuzen, en kopje duikelen vanaf mijn schoot naar de grond.
En natuurlijk de liedjes met bijbehorende gebaren zoals Berend Botje en Zagen zagen.

 

Hij groeit, althans, zijn lijf groeit, door het Dravetsyndroom zal hij een verstandelijke beperking houden.
Maar dat hij verstandelijk ongeveer drie jaar zal blijven, heeft een onverwacht voordeel: hij blijft onverminderd dol op aanraakspelletjes.
Heerlijk, ware het niet dat sommige spelletjes met de bijbehorende onverhoedse kopstoten en uitschietende ledematen leiden tot blauwe plekken en ogen en mijn, best wel grote, leunstoel langzamerhand te klein wordt voor ons samen.
Jammer, het moment nadert dat sommige van onze spelletjes fysiek niet meer uitvoerbaar zijn.

 

Maar ik heb buiten de waard, oftewel: Louks vindingrijkheid, gerekend.
Louk, die niet vooruitkijkt en dus ook niet bang is voor wat ooit zal komen of verloren zal gaan, vindt hier en nu oplossingen.
Toen hij onlangs bij me op schoot kroop voor een ‘grote kietel’, raakten zijn lange dunne benen en armen in de knoop met de mijne (niet zo dunne).
Hij stopte, keek de kamer rond en gebood simpelweg: ‘Oma Noukie grote kietel bank.’
En zo geschiedde: wij verhuisden van mijn stoel naar de grote bank.
Volgens mij kunnen we daar nog jaren onze gang gaan.

 

 

4-4-2016