Poep

Louk logeert een nachtje bij oma.
Hij is vijf, overdag is hij zindelijk, ’s nachts niet, zo gaat dat bij kinderen met het syndroom van Dravet.
Als ik ‘s morgens zijn deur open, zie ik een opgewekt spelend manneke, gehuld in poepgeur.
Eerst naar de badkamer dus.

 

Daar pel ik zijn slaapzakje en pyjama van hem af.
De geur wordt stank.
Toch jammer dat een mens wel zijn mond en ogen kan sluiten maar niet zijn neus.
‘Papa en mama komen zo’, zegt Louk.
‘Nee’, zeg ik en hij vult aan: ‘Papa en mama weg, Noukie met oma.’
‘Zo is dat, wat gaan we doen Louk?’
Hij wil naar beneden, melk drinken, een cracker met kaas eten en dan spelen, maar accepteert dat dit voorgaat.
Kleren en washandjes liggen klaar.
Voorzichtig en behendig trek ik de luier los, een mens verleert dit kennelijk niet.
Ik hoop op een stevige inhoud, die samen met en in de luier in het klaar liggende plastic zakje afgevoerd kan worden.
Soms lukt die operatie wonderwel.
Vandaag niet, zie ik aan zijn billen.
Terwijl ik de luier in het zakje doe, schuift Louk langs de verwarming, die is lekker warm aan zijn blote lijfje.
Alleen zitten nu zowel zijn billen als de verwarming vol bruine klodders.
Hem maakt het niet uit, hij vindt niks vies, daar kan een mens nog wat van leren.
Ik laat hem even zo staan, en maak een washandje en een sopdoekje nat.
Dan trek ik hem een stap naar voren, maak snel de verwarming schoon en bijna in dezelfde beweging zijn billen.
Gewillig staat hij voorover, voor hem is dit dagelijkse kost.
De verwarming is schoon, zijn billen na een paar keer poetsen ook.
Dan nog een  laatste keer een schoon washandje met zeep, afdrogen, een likje bodylotion.
‘Zacht’, zegt hij, ja dat voelt zacht.
Dan gauw zijn kleren aan.
Terwijl hij bij het traphekje wacht, werk ik alles weg waar poep aan zit of zou kunnen zitten.
Dan loop ik voor hem uit de trap af.
Op de onderste tree wacht hij: ‘een, twee’ zeg ik en bij ‘drie’ springt hij.
Wij koesteren onze rituelen.

 

Terwijl Louk zijn beker melk pakt, rond ik de poepgerelateerde handelingen af.
De luier gaat in een tweede, goed dichtgeknoopt plastic zakje in de container.
Weer was ik uitgebreid mijn handen en ga dan met mijn neus snuivend langs Louk en mijn handen.
Pas als ik alleen nog maar Zwitsal-aroma ruik, is ‘operatie poep’ klaar.

 

Tijdens mijn welverdiende koffie peins ik over de varianten van viesheid van poep:
Een poepluier verschonen van een kleinkind vind ik niet leuk maar niet echt vies.
In de verpleging leerden wij hygiënisch om te gaan met feces, een neutrale benaming die het makkelijker maakte mensen  te wassen die afhankelijk waren van ons voor deze intieme handeling. Leuk was het niet, niet voor hen en niet voor ons, toch, vies vond ik het meestal niet.
Toen daarentegen een cafébezoeker onlangs een menselijke drol aan de buitenkant van mijn schuur deponeerde, ruimde ik die kokhalzend op, met plastic handschoenen aan, boende de tegels met sop en chloor na, waste daarna vele malen mijn handen.
Maar toch bleef ik het ruiken. Ècht vies!

 

Poep, zo gewoon, iedereen heeft het, het is zelfs een stopwoord: ‘Shit’ hoor je aan alle kanten, tegenwoordig hoor ik ook vaak ‘kak’.
Maar als gespreksonderwerp blijft het meestal een taboe.

 

10-2015

Tunnelvisies in elfjes

Neonlicht
penetrante pislucht
hol galmende wanden
klamme kilte veroorzaakt kippenvel
Adembenemend

 

Wantrouwen   
misvormde angst
voor machteloos toekijken
maakt blind voor blijheid
Troostloos

 

Vertrouwen  
leidt zacht
naar liefdevol licht
dat op je wacht
Verlossing

 

5-2017
Een elfje is een compacte dichtvorm, die bestaat uit elf woorden: de eerste regel: een woord, de tweede regel: twee woorden, de derde regel: drie woorden, de vierde regel: vier woorden. De vijfde regel bestaat uit een woord dat het gedicht samenvat
 

Cruciale woorden

Na dertig jaar samen overlijdt hij en ben ik alleen.
Hoewel ik een jaar wist wat ging komen, overvalt de diepte van het verdriet me toch.
Het huis voelt leeg, alles staat op dezelfde plek maar niets is meer zoals het was.
Werken gaat niet, mijn werkgever begrijpt dat, zonder ziekmelding geeft hij me de tijd om te herstellen.
Collega’s sturen lieve kaartjes en drukken me op het hart goed voor mezelf te zorgen.
 
Na een paar weken overvallen huilbuien me minder vaak, soms lukt het zelfs om ze even uit te stellen.
Tijd om koffie te drinken op het werk.
Ik word warm ontvangen, het medeleven en de afleiding doen me goed.
Na een uurtje sta ik moe op, dit is voor vandaag voldoende.
Collega’s groeten en gaan weer aan het werk.
De collega die in mijn afwezigheid mijn taken waarneemt, komt naar me toe.
‘Hoe gaat het nou echt?’ vraagt ze.
Ik zeg dat ik het zwaar vind maar door ga.
Ze vraagt: ‘Ga je verder omdat je wilt of omdat je moet?’
Die vraag raakt: ga ik verder omdat het moet, omdat mijn hart doorklopt? Of omdat ik echt verder wil met mijn leven?
Ik besef: ik ga verder omdat het moet, op de automatische piloot.
Haar vraag haakt zich in me vast.
In de maanden daarna vraag ik mezelf steeds vaker: moet ik dit of wil ik dit?

 

Die vraag wordt een keerpunt: langzaam wint het willen van het moeten.
Het grote verdriet wordt het startpunt voor een ander leven: ik reageer impulsief op een vacature in een streekblad en wordt meteen aangenomen als coördinator vrijwilligerswerk in de terminale thuiszorg.
Kort daarna begin ik aan de ‘V.O.-opleiding Supervisiekunde en andere begeleidingsvormen’ die al jaren op mijn to-do-lijst staat.

 

Tien jaar later kom ik op een symposium die collega tegen.
Ze herkent me nauwelijks.
Ik vertel haar over de impact die haar vraag op me had, en bedank haar.
Ze glimlacht weifelend, ze herinnert zich ons gesprek niet en die opmerking al helemaal niet: ‘Heb ik dat gezegd? Goh.’

 

 

11-2015

Dichterbij: Kijkje in de schrijfkeuken 3

Een jaar of tien geleden schreef ik mijn levensverhaal. Daarna meldde ik me impulsief aan voor een schrijfcursus, ontdekte een leuke online schrijfgroep. Ik wilde schrijven, meer, beter en waarom ook geen gedichten proberen?

 

Zo begon het, bijna organisch groeide ik naar het delen van mijn teksten, het leren omgaan met commentaar en feedback. De verrassing van gelezen worden, van positieve reacties!

 

Steeds vaker kreeg ik vragen: Wanneer komt dat boek? Waar blijft die dichtbundel?
Vragen die ik wegwuifde, ik weet immers wat er komt kijken bij het uitbrengen van een boek, aan herschrijfrondes, organisatie, contacten, besluitvorming, pr en marketingactiviteiten.
Wel kwam er een site, gebouwd door zoon die hem ook bij- en onderhoudt en technische problemen oplost.

 

In september jl. vroeg weer iemand waarom ik geen bundel uitbracht, ze zei: ‘een bundel uitbrengen is alsof je jezelf samenvat en dat is een soort van wonder.’
Het kwartje wankelde maar viel nog niet.

 

In november bracht de post een pakje van schrijfmaatje Aaltje.
Ik pakte het uit en staarde naar een mooie, vuurrode bundel met 99 korte verhalen.
Ik liet de bundel op tafel liggen.
Een paar dagen later bladerden zoon en schoondochter er doorheen: ‘wat een leuke bundel.’
‘Ja’ zei ik aarzelend, ‘en nou zit ik toch te peinzen …’

 

Kortom, ik was ‘om.’
Er werden plannen gemaakt, opties besproken, besluiten genomen.
Ik selecteerde 99 verhalen waaronder een paar gedichten.
Vier schatten deden de vormgeving, de cover, de tekst redactie, de coördinatie.
Over een paar weken ligt hij er, mijn bundel ‘Dichterbij.’
De oplage wordt afgestemd op de vraag.
De prijs per stuk is €12,- plus eventuele verzendkosten.
Wil je een of meer exemplaren?
Mail naar c.v.berendonk@hccnet.nl

Kijkje in de schrijfkeuken 2

Mijn gestage stroom aan teksten roept regelmatig vragen op: ‘Hoe kom je erop? Waar haal je je inspiratie vandaan?’
Dat ik mijn inspiratie om me heen vind, klinkt vaag.
Daarom hier een voorbeeld: eerst het verhaal, daarna de ontstaansgeschiedenis.

 

De naam
De jongen met de mooie ogen hielp haar bij scheikunde met een proef en haalde daarna langzaam met zijn wijsvinger zijn neus leeg, bekeek de oogst, at die op.
Het bestuurslid verwelkomde haar hartelijk op haar eerste dag en zaagde grijnzend de poten onder haar stoel vandaan toen ze niet inging op zijn avances.
De vriendelijke psycholoog luisterde niet, hij wist zeker dat alles beter zou gaan als ze gewoon die vragenlijsten invulde.
Ze droegen dezelfde naam. Toeval.

 

De dansleraar had prachtige ogen en een warme stem.
Maar toen hij zijn naam noemde, vloog ze hem aan.

 

Zomaar

 

Ontstaansgeschiedenis van ‘De naam’
Op een druilerige decemberdag lees ik in de Facebookgroep Ultrakorte verhalen een verhaal van Mechtilde: een gesprek tussen moeder en zoon over een Willem, volgens de moeder een voorbeeld van stuurlui aan wal die ‘schreeuwen zo gauw de gemoederen het IQ overstijgen.’
Een prachtverhaal, beeldend, herkenbaar en ik lig in een deuk om de link met ‘Willem’ de voormalige dansleraar die nu een coronaprotestbeweging leidt.
Mijn associatie klopt, zegt Mechtilde.
Schrijfmaatje Nancy hapt: ze krijgt jeuk van die naam.
Heerlijk, die een-tweetjes tussen schrijvers.

 

Het verhaal blijft hangen in mijn brein.
De volgende ochtend word ik voor het eerst in jaren wakker met Wimmen in mijn hoofd: in de jaren negentig hoorde ik verhalen over Wimmen en ontmoette er zelf ook enkele.
Geen beste herinneringen aan die Wimmen, ik kreeg nogal eens jeuk van ze. Mijn Wimlijstje groeide, en elke nieuwe Wim die ik ontmoette, had geen idee waarom ik zo fronste als hij zijn naam noemde.

 

Daar zit een verhaal in!
Niet over dansleraar Willem, maar over het fenomeen Wimmen.
Ik begin met het ordenen van alle Wimverhalen, al snel heb ik er een handvol.
Dat is teveel voor een kort verhaal.
Ik kies er drie.

 

Ik peins: wat wil ik eigenlijk met dit verhaal?
Geen hetze tegen Wimmen, tegen dansleraren, tegen coronacritici.
Wat dan wel?
Het is me nog niet duidelijk, dan wordt het tijdens het schrijven vast wel duidelijk.

 

Schrijven dus.
Werktitel: De Wimmen.
Eerst kiezen: schrijf ik in de ik-vorm of de derde persoon enkelvoud?
De ik-vorm ligt me wel en ik heb geleerd om mijn lezers niet te onderschatten, die snappen wel dat de ‘ik’ in mijn verhalen niet gelijk is aan de realiteit van mij, de schrijver, maar vaak nauw verweven is met mijn fantasie.

 

Ik begin in de ik-vorm maar al na een paar zinnen merk ik dat dat niet werkt, het verhaal wordt stroperig.
Dus verander ik de ‘ik’ in een ‘ze.’ Dat gaat beter, het verhaal stroomt nu.
Ik schrijf, grijnzend, onder mijn vingers groeit het verhaal.
Ik schrap, schaaf, verander zinnen, peins over het juiste woord op de juiste plaats.
Als het klaar is, denk ik: wat een tam einde.
Dat kan beter.
Vuurwerk buiten mag niet, ik steek het af in de laatste twee zinnen.

 

Ik lees het over en zie: dit verhaal gaat over het fenomeen dat mensen met dezelfde naam toevallig samenvallen met eenzelfde soort, negatieve, ervaringen.
Dan klopt de titel niet, het verhaal gaat niet (alleen) over Wimmen, de lezer heeft wellicht eigen associaties bij een naam, welke dan ook.
Als laatste verander ik de titel in: De naam
  
Klaar!

 

Nb Elke gelijkenis met bestaande Wimmen berust op louter toeval. Mijn Wimvloek werd met succes doorbroken toen ik een paar sympathieke Wimmen ontmoette tijdens een opleiding.

 

 

5-1-2021

Kijkje in de schrijfkeuken 1

2020 was een onvergetelijk jaar, daar is al veel over geschreven en gesproken.
Ik beperk me hier tot een inkijkje in mijn schrijfkeuken.
Want, corona of niet, ik schreef!
Elke week plaatste ik een verhaal of gedicht op deze site, online in schrijfgroepen en/of  stuurde ik teksten in naar schrijf- en dichtwedstrijden.
Met succes:
  • De site 500 Magazine Aan Zee plaatste op 20-2 het verhaal ‘Aandacht’, op 15-4 het verhaal ‘Afstand’ en op 16-9 het gedicht ‘Bestaan.’
  • De stichting Uit Je Ervaring plaatste mijn gedicht ‘Gelukkig geluid’ in de gedichtenbundel ‘Ongezien 1.’ In de bundel ‘Gezien’ staat mijn gedicht ‘Dat wist ik niet.’ Een deel van de opbrengst van deze bundels komt ten goede aan De Luisterlijn (voorheen de SOS Telefonische Hulp Dienst, waar ik met veel plezier een aantal jaren werkte).
  • Uitgeverij Gopher plaatste mijn gedicht ‘Freelance lover’ in de dichtbundel: ‘De grootste intimiteit is het zwijgen.’
  • In de Facebookgroep ‘Schrijven Magazine Ultrakorte verhalen’ plaats ik regelmatig verhalen. Deze twaalf haalden de wekelijkse spotlights omdat ze opvielen door originaliteit, verrassende wending, kwaliteit of spraakmakendheid: ‘Winter, Onbereikbaar, Woorden, Narcis, Relatie, Coronalente, Kaart, Woordenwasser, Dans, Mee, Lttrburnout en Op een dag.’
 
Ik wil groeien in mijn schrijven en ben blij met feedback en inspiratie. Die vond ik, tot corona roet in het eten gooide, in de dichtsessies met dichtmaatje Aaltje waarin we elkaar uitdaagden en onze dichtspieren trainden.
Online volgde ik de cursus ‘Dichten voor gevorderden’ van Margreet Schouwenaar.
Haar boeiende opdrachten en deskundige feedback inspireren me in het zoeken naar mijn ‘stem’ in het schrijven.
Iets wat lukt als ik, na veel schaven en schrappen, denk: dit is het.
En als lezers zeggen: ‘dit is een echte Cora.’
 
Lieve lezer
Dank voor je bezoek aan en je reacties op ‘Cora dichterbij.’
Ik inspireer jou en jij mij!
Weet je welkom in mijn nieuwe schrijfjaar!
Voor nu: dit is ‘Kijkje in de schrijfkeuken, 1’
Morgen lees je ‘Kijkje 2’: een voorbeeld van het ontstaan en de ontwikkeling van een verhaal.
Overmorgen ‘Kijkje 3’ met een verrassende vooruitblik …

 

Ik wens je alle goeds voor 2021
Cora   4-1-2021
 
PS:
Als je anderen wilt attenderen op mijn site, graag!
Wil je weten wanneer ik een nieuwe tekst plaats:
  • gebruik de link op de site of
  • stuur een mail naar c.v.berendonk@hccnet.nl  
  • Het ontvangen van mails kan je op elk moment stopzetten.
  • Heb je je niet afgemeld maar ontvang je ineens geen mails meer? Mail naar c.v.berendonk@hccnet.nl  dan herstellen we dat.

Buitentijd

Wenkbrauwen fronsen, stemmen spuwen
woorden vliegen als opgejaagd schuim
in de branding. Ik sluit me als een oester,
los op in de onderstroom, laat me drijven
naar de kustlijn waar de vloed is uitgeraasd
maar eb aarzelt en tijd buitenspel staat.

 

Zelfs de wind wacht, lucht en zee spiegelen
elkaar, hemel en aarde zijn inwisselbaar. Hier
ben ik thuis, worden woorden parels en
angsten gesust. Als de tijd zijn loop hervat,
trekt de wind aan, voert me mee. Wijst nieuwe wegen.

 

 
 
12-2020
Gedicht naar aanleiding van de les over Estelle Boelsma in de cursus Poëzie voor gevorderden en de zin: ‘Ik ben buiten de tijd gaan leven en er vanuit het midden deel van gaan uitmaken’ uit haar gedicht: ‘z.t.’
 

Onvergetelijke Kerst

Uit de terminale thuiszorg

 

Het is 24 december en ik heb de komende week bereikbaarheidsdienst.
Ik heb alle boodschappen in huis voor een kerst met veel bezoek en kruid het vlees voor de sudderlappen als mijn werktelefoon gaat.
Een jongensstem stottert, zenuwachtig met hoge baardindekeeluitschieters: ‘Met Wim, wanneer komt de vrijwilliger, ik ben het rooster kwijt.’
Ik zet het vlees laag en zoek het rooster.
Ik stel hem gerust: over een uurtje komt Maia.
We praten nog even, hij kalmeert, hij vindt het fijn dat Maia komt.
Dat snap ik helemaal, Maia is een rots in elke branding, rustig, kordaat, met een moederlijk warme manier van omgaan met deze jongen.

 

Vandaag is het een week geleden dat de thuiszorg ons belde of we vrijwilligers konden inzetten bij een terminaal zieke mevrouw en haar inwonende kleinzoon.
Ik maakte meteen een afspraak voor een intakegesprek en ontmoette diezelfde middag nog een lieve oude doodzieke vrouw in een hoog-laagbed en een ongelukkig ogende puber.
Haar dochter, zijn moeder, woont in België.
Als ik vraag of ze wel eens komt, valt er een ongemakkelijke stilte.
Ik vraag niet door, heb van de thuiszorg al begrepen dat de situatie al vele jaren gecompliceerd is.

 

Mevrouw wil niet naar een hospice, ze wil zo lang mogelijk voor haar kleinzoon zorgen.
Dat de rollen nu in feite omgedraaid zijn, is voor beiden nauwelijks te accepteren. Kleinzoon is alleen, er zijn geen andere mantelzorgers.
Hij spijbelt al weken van school, is dag en nacht bij zijn oma maar trekt het niet meer.  
De thuiszorg komt het maximale aantal uren, ’s nachts is er nachtzorg maar er is behoefte aan iemand die tijd heeft en rust brengt.
De inzet van VTZ-vrijwilligers is een goede oplossing.

 

Ik heb al vele intakes gedaan en inzetten georganiseerd maar merk dat deze situatie, deze twee mensen, een snaar raken in me.
Het is een ingewikkelde klus om een rooster te organiseren vlak voor de feestdagen maar het lukt: elke dag komen er een of twee vrijwilligers bij oma en kleinzoon.
Die moeten even wennen maar na een paar dagen zijn ze blij met de vrijwilligers. Samen met kleinzoon verzorgen ze mevrouw, die zienderogen achteruit gaat.
Wat misschien nog wel belangrijker is: ze zijn er ook voor kleinzoon, vooral Maia heeft een goed contact met hem.
Aan Maia vertelt hij bij stukjes en beetjes zijn voorgeschiedenis, ‘maar ik mag het aan niemand vertellen’ zegt ze tegen me.
Begrijpelijk, ik ben blij dat ze zijn vertrouwen gewonnen heeft.

 

Ik ga verder met mijn kerstvoorbereidingen.
Als ik ’s avonds uitgeteld voor de tv hang, klinkt mijn werktelefoon weer.
Maia: ‘Cora, ik ga iets doen wat tegen de regels is maar ik doe het toch.’
Ik grinnik, waardeer haar eerlijkheid: ‘Maia, vertel!’
Maia vertelt: de nachtzorg heeft afgebeld in verband met griep. Dat is een probleem want mevrouw gaat hard achteruit, haar overlijden zal niet lang meer duren. Kleinzoon durft niet alleen te blijven bij zijn oma.
‘Nou Cora, nou zijn er twee keuzes: of ik blijf zelf vannacht of ik bel die dochter over wat hier gebeurt. En ik weet dat wij als vrijwilliger ’s nachts niet mogen werken en dat we ook niet op eigen houtje familieleden van cliënten mogen bellen. Maar ik ga het toch doen.’
Tuut tuut tuut.

 

Ik peins, ze zet me voor het blok.
Wat te doen?
Ik besluit niets te doen en te vertrouwen op Maia’s gezonde verstand.
De hele nacht ligt mijn werktelefoon naast mijn bed, ik slaap licht.

 

De volgende morgen belt Maia me om tien uur.
Ze vertelt: ze heeft de dochter gebeld dat haar moeder op sterven lag en haar zoon er alleen voor stond. Als de dochter niet reageert, beëindigt Maia het gesprek.
Ze gaat samen met kleinzoon bij het bed zitten van mevrouw, hij houdt de hand van zijn oma vast, Maia zijn hand.
Een paar uur later gaat de bel, dochter komt binnen en schuift zwijgend aan.
Maia zet koffie voor haar, vraagt of ze kan gaan maar moeder en zoon vinden het fijn als ze blijft want ze hebben nog nooit een overlijden meegemaakt.
Maia blijft, stelt ze gerust als de ademhaling van mevrouw vertraagt, vertelt ze dat dit er bij hoort.
Als mevrouw is overleden, belt ze de dokter.
Ze blijft tot de dokter er is en ze heeft gezien dat moeder en zoon het samen wel redden.
Dan gaat ze naar huis.
‘Ik ben net wakker en dacht, ik moet jou eerst maar bellen want ik heb natuurlijk alle regels overtreden maar ik moest het doen en als je me uit de VTZ zet, snap ik dat best hoor.’
Dan pas schiet ze vol.
Ik ook, even.
Dan stel ik haar gerust: ja, ze heeft VTZ-regels overtreden. Maar ze heeft ook drie mensen op het moeilijkste moment van hun leven samen gebracht en geholpen. Dat is onbetaalbaar en weegt tegen alles op.

 

Later op de dag breng ik haar het kerstboeket dat bij mij op tafel stond.

 

 

25-12-2020

Verdriet

Een jaar was ik zwaar zwanger van haar, toen
werd ze geboren en bleef. De eerste jaren
een dag- en nacht aandacht eisende
dwingeland die zeurde, gilde, dreinde. Ik sloot
haar op in mijn donkerste kast en gooide de sleutel
weg, woest brak ze uit en klampte zich aan me
vast, nam mijn leven over. Tot ik me overgaf, kom
dan maar, en voor haar een plek maakte in mij waar
we langzaam leerden om te luisteren naar elkaar.

 

Door de jaren vergroeiden we, werden dierbare
huisgenoten. Verdriet is een puber nu, soms
aandoenlijk lief, soms tergend wreed en
brutaal, dan spreek ik haar toe en tegen en
binden we beiden in. Ze maakt zich los nu, zoals
pubers doen, soms, steeds vaker, verdwijnt
ze een nacht, dagen, een maand. Ik mis haar
niet, ik kan goed zonder haar want ik weet dat
ze weerkomt. We zijn van elkaar.

 

 
8-9-2016

Op een dag

Op een dag mochten mensen elkaar niet meer aanraken.
Wie toch knuffelde, omhelsde, zoende of handen schudde, werd beboet, uitgesloten en liep kans op een ernstige ziekte.
Knipogen, lachen en gedichten voordragen mocht wel maar werd nauwelijks opgemerkt door de woordentsunami die losbarstte: er werd gediscussieerd, geschreeuwd, gescholden.
Feiten werden verzwolgen door aannames, oordelen en meningen.
Over de boetes en over elkaar.
Een oorverdovende herrie klonk alom.

 

Er was een jongetje dat niet hield van woorden.
Hij danste in de namiddagzon en gooide knuffels naar me.
Tot ik een schoot vol knuffels had.
Hij lachte.
Ik ook.

 

 

16-12-2020
Dit verhaal werd op 18-12-2020 gekozen als een van de vijf ultrakorte verhalen van week 51 die opvielen in de Facebookgroep Schrijven Magazine Ultrakorte verhalen vanwege hun originaliteit, verrassende wending, kwaliteit of spraakmakendheid.