keken Koot en Bie en waren allemaal O.K.
Maar volstond ons knuffelquotiënt en raakten we jullie niet te veel aan of te weinig, luisterden we wel met aandacht gaven we jullie voldoende vrijheid en was er genoeg pindakaas en blijheid?
Alle wijsheid ten spijt deden we vaak maar wat we dachten dat goed leek en keken toe hoe geluk groeide met griefjes die overleefden als onuitroeibare vergeet-me-nietjes
22-2-2026
Inspiratie:
‘You, who are on the road Must have a code you try to live by And so become yourself Because the past is just a goodbye’
Uit ‘Teach your children well’ van
Louk sorteert tijgers en giraffen op zijn bed als mama, naar buiten wijzend, zegt: ‘Kijk Louk, het sneeuwt.’ Louk legt zijn bezigheden neer en kijkt een tijd naar de dwarrelende sneeuw. Concludeert dan: ‘Hagelslag.’
20-2-2026
Jij kwam te laat altijd en overal bleef lang plakken ging te vroeg
Ik kom vroeg altijd en overal vertrek bijtijds ben er nog
Soms speel ik met je horloge zoek jouw knop voor later losser langer. Vergeefs.
11-2-2026
Geinspireerd door de schrijfopdracht in de Facebookgroep Ultrakorte Verhalen van deze week:
‘Schrijf een UKV (met een humoristische inslag) waarin je protagonist (of de antagonist) te laat komt – of is – voor iets belangrijks’
Ik vermaakte me prima, gaf voorzetten, danste en deed salto’s.
Alleen die laatste salto, hij startte perfect maar ineens lukte het niet meer om terug te draaien en werd ik met mijn voeten vooruit naar de uitgang geduwd.
Daar verwelkomde een kamer vol witte jassen me.
Nog voor mijn hoofd zich naar buiten had gewurmd, zagen zij al dat ik een jongetje was.
Ze stootten elkaar aan en staken hun duim op. Kort daarna vertrokken ze en nu lig ik op de buitenkant van mijn moeders buik.
De binnenkant was knusser en warmer maar hoera, er is hier veel meer ruimte voor salto’s.
20-1-2026
Inspiratie:
het thema van de schrijfoefening van deze week in de Facebookgroep Ultrakorte Verhalen:
‘Hallo baby, daar ben je dan! Hoe was je reis? Hoe was de aankomst? En hoe zag je dag eruit? Beschrijf de eerste dag van je leven vanuit het ik-perspectief.’
Het laaghangende regenscherm gaat links naadloos over in de IJssel en rechts in weilanden en polderdorpen.
Behendig manoeuvreert de chauffeur de bus van halte naar halte over de smalle kronkelende dijk.
Gedaantes in regenkleding stappen uit en andere in.
Vóór me giechelen twee meisjes boven hun schermpjes.
Achter me kibbelt een grijze vrouw met een kale man over de route.
Ik luister, ruik de geur van natte jassen.
Mijn wijsvinger trekt lijnen over het beslagen raam.
Achter elke streep doemt een flard buitenwereld op.
Gisteren en morgen blijven buiten. In deze rijdende baarmoeder ademen wij elk ons eigen heden.
18-1-2026
Inspiratie: in de Facebookgroep Ultrakorte Verhalen was deze week de opdracht:
‘VAN POËZIE NAAR PROZA
Neem een bekend gedicht en maak hier een UKV van.
Je hoeft het gedicht niet letterlijk te nemen. Laat je inspireren. Het is aan jou of je meteen het gedicht wil noemen of dat je het (eerst) aan de lezer overlaat of het gedicht duidelijk is.’ Ik koos voor het gedicht ‘Afsluitdijk’ van de dichter Vasalis
Dagelijks loop ik de Bachweg af, een stukje door het Randenbroekerbos, naar het Corderius College (toen nog Lyceum).
Op een herfstdag, op de terugweg, stop je naast me: ‘Zal ik een eindje mee lopen?’
Het begin van een onvergetelijke vriendschap.
Vraag jij na een paar weken ‘zullen we nog een rondje doen?’
Of doe ik dat?
Soms doen we wel drie rondjes Randenbroekerbos voor jij opstapt en naar Barneveld fietst en ik naar huis loop.
De oude bomen in het Randenbroekerbos horen ons praten over poëzie, onze boekenlijst, het leven.
En over docenten.
Jij haat de engerd van Engels.
Ik raak in paniek van de onbegrijpelijke woordenstroom die onze wiskundedocent uitstoot.
Regelmatig belanden we in een onstuitbare slappe lach om die stomme docenten.
Behalve om die van Nederlands.
We delen leeservaringen, discussiëren over onze leeslijst, wisselen tips uit.
Ik ben dan al dol op poëzie, Adriaan Roland Holst is mijn favoriet.
Jij vindt hem theatraal.
Toch geef je me zijn ’Winter aan zee.’
Ik geef jou ‘Voor wie ik liefheb wil ik heten’ van Neeltje Maria Min.
En allebei adoreren we de gedichten van Vasalis.
Maar ook de Beatles, Led Zeppelin en o ja: Melanie!
En natuurlijk Bob Dylan.
En Boudewijn de Groot.
Af en toe vraag je hoe het met mij is en hoe het thuis gaat.
Dan klap ik dicht.
In schoolvakanties bel je soms ’s avonds.
De eerste keer vraagt mijn vader: ‘Wat had ze?’
Want de telefoon is alleen bedoeld voor volwassen en belangrijke zaken.
Ik hakkel wat over huiswerk en zo.
Niet belangrijk in zijn ogen dus stuift hij regelmatig de ijskoude gang in als ik daar met de bakelieten telefoon aan mijn oor sta te giebelen of te zwijgen met jou.
Dat mijn zorgelijke somberte door ons contact lichter lijkt, besef ik nauwelijks, laat staan dat ik er woorden voor heb.
In 1970 slagen we voor ons HAVO examen.
Jij gaat een jaar naar Brussel als nanny en verhuist daarna naar Amsterdam, doet de opleiding fysiotherapie en daarna psychologie.
Ik kies voor de interne opleiding psychiatrische verpleegkunde in Zeist.
Spannend vind ik het en dat zie je aan me, je stuurt me een kladblokblaadje met alleen maar ‘sail on silver girl’ erop.
Uit ‘Bridge over troubled water’ van Simon and Garfunkel, ook een favoriet van ons.
Het hangt jaren boven mijn wastafel.
Ik ontmoet een vakantieliefde die veel meer blijkt dan dat.
Je leeft mee.
Als ik het uitmaak (ik kan me niet herinneren waarom) kom je en treft me ongelukkig aan op mijn kamer met Rod Stewarts ‘Someone like you’ keihard op repeat op mijn platenspelertje.
Je troost me en kijkt het even aan.
Dan sta je op en zet Rod af: ‘Ik word knettergek van dat nummer, het is helemaal niet uit, ga die vent bellen!’
Dat doe ik.
Je bent eregast op ons huwelijk en we beloven dat onze dochter jouw naam krijgt.
Maar we krijgen twee zonen.
Nu zouden we van Ellen misschien Alan hebben gemaakt.
Maar toen kwam dat niet in ons op.
De jaren daarna verflauwt ons contact.
Jij studeert, ik ben thuismoeder tot de jongste naar school gaat.
Vanaf dan volg ik opleidingen en supervisietrajecten en heb banen in zorg en welzijn.
Ik bloei op.
1990
In 1990 zie ik een aankondiging van een reünie van het Corderius.
Het triggert me: ik denk terug aan ons contact en besef hoe belangrijk jij bent geweest in mijn puberteit en de jaren daarna.
Je was er voor mij.
Hoe kostbaar is dat.
Het is tijd om dat uit te spreken.
Ik zoek uit waar je nu woont, bel en zeg dat ik je iets wil zeggen.
Je nodigt me uit.
Op een novembermiddag bel ik aan, ergens driehoog achter het Amstelpark.
We kijken elkaar aan, er is ongemak.
Ik begrijp niet waarom dat er is maar verzamel moed en vertel kort over de zorgelijke sombere puber die ik was en over thuis.
Dat ik nu zie hoe belangrijk ons contact voor me is geweest.
Ik bedank je uit de grond van mijn hart, je was een van de eerste mensen die me echt zag, luisterde, meeleefde.
Dat zeg ik allemaal.
Je knikt, vraagt hoe mijn leven er nu uitziet.
Ik vertel over relatie, zonen, vrienden, studies, banen.
Als ik zwijg, zeg je, bijna verbaasd: ‘Je hebt leren praten.’
Ik knik, de stille verlegen puber is inderdaad ver weg.
Zeg dat ik nieuwsgierig ben naar jouw leven, hoe gaat het met je, wat wil je, wat doe je, heb je plannen?
In de trein terug besef ik: je ontweek mijn vragen of gaf korte algemene antwoorden.
Weer thuis vraagt man hoe het was om je te zien en hoe het met je gaat.
Ik vertel dat ik dat eigenlijk niet weet.
Dat het ongemak van het eerste ogenblik niet week.
Was het een vergissing?
Had ik je niet moeten opzoeken?
Niet zoveel moeten vertellen?
Ik twijfel.
In de maanden daarna bel ik je, een moeizaam gesprek volgt.
Ik stuur je nog een keer een kladblaadjesbrief zoals we die vroeger aan elkaar stuurden.
Geen reactie.
Ik laat het los.
Maar blijf koesteren wat je destijds voor me betekende.
2025
Halverwege vorig jaar zie ik dat er een reünie is van onze school.
Het revalidatietraject waar ik in zit, belemmert me om te gaan.
Mijn gedachten dwalen terug naar toen.
Naar jou.
Nieuwsgierig google ik je naam.
Staar minutenlang met bonzend hart naar een rouwkaart.
Herinner me een fietstocht waarbij ik halverwege hijgend afstap en mopper: ‘Hoe doe jij dit? Waarom word jij niet moe?’
Hoe je schatert: ‘Omdat ik veel jonger ben dan jij!’
Jij hebt nog haar en kijkt blij en zelfverzekerd in de camera en vol liefde naar mij.
Mijn gedachten gaan terug naar de lange sessie die ochtend bij de kapper op het Euterpeplein, de moeder van lagere school-klasgenootje Yvonne.
Mijn haar, mijn lange steile donkere haar dat ik, als ik werk, met elastiekjes in makkelijke staartjes naast mijn oren draag.
Ze wast, föhnt, verstevigt, krult, toupeert en steekt het met honderdduizend haarschuifjes op, vlecht witfluwelen sliertjes door het bouwwerk en spuit er een bus haarlak op leeg.
Verbijsterd volg ik in de spiegel voor me het werk van haar handen en zie mezelf veranderen in een vreemde.
Ik zeg niks, dit hoort nou eenmaal bij ‘de mooiste dag van je leven’ is me gezegd.
Ze heeft eer van haar werk: haar creatie oogst veel lof de rest van de dag.
Maar zelfs nu nog, zoveel jaren later, knijpt mijn maag weer samen bij het zichtbare ongemak in de ogen van de bruid op deze foto’s.
’s Avonds laat ontmantel je mijn kapsel.
Minuten lang trek je tientallen haarschuifjes en lintjes uit mijn haar.
Borstelt brokken haarlak weg.
Tot het weer vertrouwd langs mijn oren valt.
En ik mijzelf hervind.
En de protocollen en tradities van die dag, dat haar, alle al dan niet geuite vragen en oordelen, ze verdwijnen als sneeuw in de zon.
Wij zijn samen en voelen en weten dat het goed is.
Wat me al jaren verrast: dat gevoel heeft zich in me genesteld.
Het blijft, ook nu jij er al zo lang niet meer bent.