Yoga

Yoga, al jaren kalmeert het mijn geest en versoepelt mijn lichaam.
Behalve toen, een warme juni avond een paar jaar geleden:

 

Vlak voor we beginnen, ik lig al op mijn matje, stuift er een nieuweling naar binnen.
Hij installeert zich op het enige lege matje.
Naast mij.
Geduldig wacht iedereen tot hij ook klaar is om te beginnen.
Ondertussen ontspint zich een gesprek over de ramadan, die in die dagen plaats vindt.

 

Iemand maakt zich zorgen: ‘In deze hitte achttien uur niet eten en drinken, is dat niet ongezond?’
De yogadocente valt haar bij, haar lijkt de kans op uitdroging in deze warme dagen reëel.
Naast me, ondertussen ook uitgestrekt op zijn matje, reageert de nieuwe: ‘Ach wat, gevaarlijk, ze doen het toch zelf? En trouwens, wat dan nog als er een paar doodgaan?’

 

Van ontspanning kwam niks meer.

 

 

20-7-2017

Slijtpijn

Dat je sleutel kwijt, dat je bang buiten
dat binnen de mattenklopper wacht
dat ook zonder rups die buxushaag was
afgestorven, dat je die verdwenen
foto’s allang verstopt had in de doka

 

van je hart, dat bloed op een witte broek
en hoongelach en priemende vingers;
jij slome duikelaar met rare vragen
moeilijkdoener met hoezo waarom, praat
mee, echt waar en ach en wee, het komt goed
en jaarlijks twee knuffels zijn er in
twintig jaar toch veertig

 

dat de sleutel toch, dat je opnieuw
en dat de sleutelbaard breekt en
onbereikbaar in het slot achterblijft
dat je staart naar wat rest, weet wat
je bent vergeten, die baard is al zo lang
dood dat het prikzoengevoel is weggesleten

 

20-2-2019
een gedicht uit de cursus poëzie, geïnspireerd door ‘Voorpijn’ van Coen Peppelenbos. Opdracht: schrijf een gedicht over een zelf verzonnen woord.

Verrassing …

(Louk heeft het syndroom van Dravet, onder andere gekenmerkt door een moeilijk instelbare, zware vorm van epilepsie en een ontwikkelingsstilstand. Zijn lichaam is 13, zijn geest blijft ca 3 jaar, een nieuw geneesmiddel bracht de epilepsie terug tot nachtelijke aanvallen van ca 1x per 10 dagen.
Maar Dravet is onvoorspelbaar, dit is het verhaal van een plotse aanval overdag. Ik heb het geschreven vanuit Louk, hijzelf kan niet vertellen of het klopt.)

 

Vandaag ging ik spelen bij de kindjes maar ik ging niet met de bus naar huis.
Mama kwam en ze zei: ‘Ga je mee naar oma Cora, Louk?’
Nou, dat wou ik wel hoor!
Toen ik oma zag in de tuin, moest ik lachen en oma ook en toen zeiden we allebei ‘ieieieiei’ en gingen met onze hoofden heen en weer rollen.

 

Oma en mama gingen koffie drinken en praten en ik deed de tijger en het roze varken en de giraf in het blauwe en het roze en het paarse badje.
Oma en mama hielpen mee, als het water op was, haalden ze nieuw water in de groene gieter.
Toen de zon weg ging uit de tuin, gingen we naar binnen en boven spelen, eerst op mijn kamer en daarna op oma’s kamer.
Dat was leuk want de zon scheen op haar bed.
Ik haalde de dekens ervan af want dan is het mooi glad en wit en daar legde ik de leeuw en de giraf en de tijger en de rode, blauwe, gele en groene rondjes in de zon.
Het was prachtig, dat vonden mama en oma ook.
Ineens viel ik om met mijn hoofd op de verwarming.
Mama en oma schrokken maar ik niet want ik ging meteen slapen.
Toen ik wakker werd lag ik in mijn bed, de kamer was een beetje donker want de gordijnen waren dicht.
Mijn armen en benen deden het niet dus keek ik een beetje rond naar de lamp en naar de beer en de aap op de muur en de tijger naast me in bed, tot mijn ogen weer dicht gingen.
Toen ik weer wakker werd, deden mijn armen en benen het weer en ging ik spelen tot mama me kwam halen.

We gingen naar beneden en eten.
Oma en mama aten pizza en ik heel veel kaas en olijven en melk.
Ik hoorde mama door de telefoon praten met papa.
Ze zei dat oma en zij geschrokken waren want ik was heel leuk aan het spelen en toen kreeg ik ineens een aanval, zo snel dat ze me niet eens konden opvangen. En dat ik wel een grote bult op mijn achterhoofd zou krijgen en hoofdpijn en dat papa en mama ’s nachts goed op me moesten letten.
Oma en mama keken steeds naar me en hun ogen waren niet blij.
Dat was wel jammer want ik had helemaal geen hoofdpijn, ik ging alle boeken van oma in de vensterbank leggen in de zon.
Dat was zo mooi!

 

Toen mama en oma klaar waren met praten, gingen we naar de auto.
Ik mocht voorin zitten, naast mama en weet je wat er toen gebeurde?
De zon scheen op het dashboard van de auto en toen zag ik mijn schaduw!
Ik zwaaide naar mezelf en mezelf zwaaide terug.
Ik moest heel hard lachen: ‘Doewie Louk!’
En toen lachten oma en mama ook weer.
Gelukkig!
‘Doewie oma, tot de volgende keer!’

 

 

17-5-2020

Haarherinneringen

Haar, ik had er nooit zoveel mee.
Als kind kamde ik het zonder in de spiegel te kijken, die scheiding links viel er vanzelf in.
Af en toe werd het geknipt, bloempotmodel met pony, flink kort, de kapper was duur, helemaal voor een gezin met vijf kinderen.
Eenmaal volwassen keek ik twee keer wél goed, én stomverbaasd, in de spiegel:

 

De eerste keer was op 22 december 1972.
Het hoorde erbij, werd me gezegd en dus nam een kapster ’s morgens anderhalf uur lang mijn negentienjarige hoofd onder handen.
Voor het eerst werd mijn slappe, dunne, steile haar verstevigd, getoupeerd, gekruld, opgestoken, stijf gelakt en versierd met linten en witte friemeltjes.
Een mooie bruid werd tevoorschijn getoverd.
Van die dag en de dertig jaren daarna heb ik geen spijt, wel van dat kapsel.
Nog herken ik mezelf nauwelijks in de schoonheid op de foto’s.

 

Dun en steil was en bleef mijn haar.
In de jaren 90 kwam mijn kapster met een oplossing: een speciale permanent.
‘Maar ik wil geen krullen hoor’, bond ik haar op het hart, met afgrijzen denkend aan de stijf gekrulde permanent van mijn moeder.
Ze stelde me gerust, dit was een lichte permanent, die gaf geen krullen maar mooie stevige lokken die mijn haar voller zouden doen lijken.
Dat leek me wel wat en ik was inderdaad blij met het resultaat, voor het eerst toonde de spiegel een mooie volle bos haar.
De dag daarna liep ik in Dordrecht van het station naar mijn kantoor.
Het regende zachtjes.
‘Zozo’ zei mijn collega toen ik binnenkwam, ‘naar de kapper geweest?’
Ik begreep haar grijns pas toen ik later in het toilet mijn handen waste en terloops in de spiegel keek.
Recht in het gezicht van mijn moeder.
De regen had mijn steil geföhnde permanent veranderd in heel veel, hele kleine, kroezende krulletjes….

 

In de spiegel grijnst een grijze coronahippie naar me.
Pas over twee weken ben ik aan de beurt bij de kapper.

 

 

12-5-2020

Fietsen

(Voor J)
Ik herken je van verre, silhouet in grijze
lijnen op een natte novemberdag en denk:
hoe gaat het met je knie met je dochter
we moeten gauw weer een bakkie doen.

 

Tegen de wind in, je zwoegend hoofd
gebogen, je rug in pijnstand, nader je,
ik wacht, met mijn hand zwaaiklaar, mijn
mond praatklaar, je voorlicht doet het niet.

 

Vragende ogen kijken mij aan. Ik weet weer:
je bent er niet meer. Jouw sterven zonder
afscheid blijft een rondgaand gerucht dat
mij niet raakt; ik kom je overal nog tegen

 

fietsend, op weg naar een volgende keer. Fiets
fiets door, dat deed je het liefst. Zonder
vragen zal ik naar je zwaaien, maar
repareer je licht, niemand ziet je zo

 

alleen ik

 

 

8-5-20

Onthoofd

Vanmorgen heb ik het los gedraaid en met een knalharde loeier de tuin in geschoten.
Het ligt ergens achter de lavendel.
Spannend, jazeker, maar ik ben een sterk lijf met een warm hart en een prima spiergeheugen.
Dus ik ga gewoon door, ik wandel, zwaai naar mensen, maak geen praatjes maar dat deed zij ook niet.
Schrijven gaat fantastisch, logisch, daar kon ze toch al vaak haar hoofd niet bijhouden zei ze.
Een onorthodoxe actie, ik weet het. 
Maar dat gezeur, dat gepieker en die smoezen waarmee ze altijd mijn plannen ondermijnde.
En dan dat coronahaar!
Echt, het was onvermijdelijk.

 

Ps.
Voor iedereen die medelijden heeft met dat hoofd in de lavendel: dat hoeft niet! 
De dag nadat ik dit verhaal schreef, apte retraitemaatje Nieske een foto van een hoofd in haar tuin.
Dat kon geen toeval zijn …
Het hoofd heeft een mooi plekje gevonden in het Friese land en wordt liefdevol verzorgd: het krijgt een nieuw verfje en een nieuwe naam: Hestia.
Dank Nieske!

1-5-2020

Braadpan

Ze schuift anderhalf pakje margarine de
pan in, draait het gas hoog, spreidt op
het aanrecht de lappen in gelid, slaat
ze mals, peper zout keren peper zout

 

laat ze rusten tot gesis klinkt, vetspetters
de gasvlam doen opwaaien zoals haar stem
uitschiet als ze dreigt met de mattenklopper,
kaarsrecht koninklijk kalm vleien haar vingers

 

de lappen in het vet, schuiven tot ze donker
kleuren, blust ze af met water, zet het deksel
schuin op de pan. Het is half elf, oploskoffie en
Arbeidsvitaminen, ‘Junge, komm bald wieder’
ruikt naar voorgebraden veiligheid. Tot de dag

 

dat de withete pan uit haar vuurvaste vingers
glijdt. Op de radio duidt GBJ Hilterman de
buitenlandse politiek maar niet haar radeloze ogen
bevende handen, het jusspoor op haar zondagse jurk

 

De pan overleefde haar, maar zelfs gevuld met
viooltjes, ruik ik soms vaag nog haar suddervlees

30-4-2020
Resultaat poëzie les Seamus Heaney, opdracht: schrijf een gedicht waarin een gereedschap de onverzettelijkheid van vrouwen draagt.

Puzzel

Ze scrabbelt in de huiskamer, geanimeerd babbelend met buurvrouw Marie.
Ze wint, natuurlijk wint ze, wat gisteren is gebeurd weet ze niet maar in woorden met een hoge woord- en letterwaarde is ze nog steeds geniaal.

 

Vrolijk zegt ze Marie gedag als we naar haar kamer gaan om haar jas te halen voor een wandeling.
Het is zonnig en ze geniet van het speuren naar uitbottend lentegroen.
Terwijl ik haar haar jas aantrek, stel ik voor Marie mee te vragen.
Haar gezicht betrekt: ‘Waarom moet zij mee?’
‘Marie heeft geen bezoek, ze gaat vast graag met ons mee naar buiten.’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Nee.’
‘Je vindt haar toch aardig?’
‘Nee.’
‘Mam!’
‘Dan ga ik niet mee.’

 

25-2-2019

Vlinderslag

illustratie Roeqiya Fris uit: The persistence of yellow
(Voor Nancy)

 

Er was eens een vrouw die faalde als vlinder.
Vliegen bleek vermoeiend, onafgebroken blies de wind

 

de stilte in haar ziel stuk, ze verdwaalde in wolkenrag
haar vleugels misten fingerspitzengefühl, ze vloog

 

haar kop kapot op hemelse gedachtegangen, haar
voelsprieten roken onraad in honing, ze verslikte

 

zich in stuifmeel, maakte tenslotte een noodlanding
op een zonnebloem, zat en bad vurig om melkchocola

 

met hele hazelnoten, wist dat twijfel meer dromen doodt
dan falen, spreidde haar vleugels en vloog.

 

Vloog hoog.

 

20-4-2020
in het kader van de poëzie les over Hester Knibbe

Na het avondeten

Hij in zijn stoel, zij in de hare.
Ze wijst naar zijn bril.
Schouderophalend neemt hij de bril van zijn neus, geeft hem haar.
Ze pakt hem aan bij het neusstuk.
Kijkt, fronst, moppert: ‘Daar zie je toch niks meer mee.’
Pakt uit haar linkermouw de zakdoek.
Spuugt op het linkerglas.
Wrijft het droog.
Kijkt door het glas, knikt, ademt op het glas, poetst het glanzend.
Kijkt weer, knikt goedkeurend.
Herhaalt de procedure bij het rechterglas.
Geeft de bril terug aan mijn vader.
‘Asje.’
‘Dankje.

 

‘Glasklar brillenspray’ lees ik op het bijna lege flesje.
Ik moet nieuwe halen.

 

18-4-2020