Je ragdunne web trilt tussen gordijn en kozijn met jou,
stoïcijnse architect, als koninklijk middelpunt, een web van
glas vlechtend voor de eerste avonturier van de dag.
Ik heet je waarlijk welkom in de warme maartse ochtendzon
jij achtpotige herfstbode, ben je voorbereid op lenteleed?
Naast de raamwisser die maandelijks een kudde kozijnbewoners
vermorzelt, zijn er sinds kort rovende eksterouders in spe op
oorlogspad, rücksichtslos zoekend naar kraamkamermateriaal
en voedsel, jij en je vangst zijn vast een lekkernij voor hen.
Hopelijk heb je je schuilplaats onder het schuurdak op orde?
Je noeste arbeid heeft voorrang, ik praat tegen dovemans oren en
laat je, alleen nog dit: dagen al ben ik doelwit van een premature
colonne prikkende plaaggeesten. Voor jou, eigenzinnige
einzelgänger, een smakelijke amuse. Lok ze verleid ze
balsem ze hun hemel in.
Alsjeblieft. Bij voorbaat dank.
—
9-4-2026
Inspiratie voor dit gedicht:




