Wat is je favoriete boek, was de vraag een tijd geleden.
Dagen twijfelde ik.
Etty Hillesum, Elisabeth George, Anja Meulenbelt?
Godfried Bomans, Karl Ove Knausgard, Maarten ’t Hart?
Ik streepte ze allemaal weg voor een klein dun boekje met mooie illustraties en weinig tekst:
Kerst 2008 krijgt kleinzoon Louk, dan anderhalf, dit boek, een kinderkerstvertelling van Herman van Veen.
Een schot in de roos.
Als hij hier binnenkomt, dribbelt hij meteen naar het boekenmandje, doet een trefzekere greep in de hoge boekenberg, klimt op mijn schoot, kijkt mij hoopvol aan.
Start: ‘Er was eens.’
Ik vul aan: ‘een nacht en in die koude nacht stonden’
Hij: ‘twee sterren zomaar achter elkaar.’
En zo declameren wij in duo en al snel uit ons hoofd, de tekst.
In de jaren daarna wordt duidelijk: Louk zal nooit zelf lezen en leert slechts beperkt praten.
Desondanks wordt ‘De koe zei boe’ onze klassieker en een vast onderdeel van spelen bij oma.
In de loop van de tijd verfijnen we onze versie van en onze visie op onze evergreen.
De kusjes die we uitwisselen als papa Jozef tegen mama Mia zegt: ‘ik hou van jou’, ja, die blijven.
Maar het kindje in de buik van mama Mia, die zingende engelen en dansende herders, ze boeien Louk steeds minder.

Steeds meer gaat zijn aandacht uit naar de vaste stalbewoners.
Als hij tegenwoordig het boek pakt en naast me op de rode bank kruipt, bladert hij meteen door naar de koe, de ezel, het schaap en de muizen en kijkt me verwachtingsvol aan: ‘Oma koe.’
Dat is het startsein.
Ik loei uitbundig.
Wissel het af met balken en blaten.
Kijk ondertussen naar Louk.

Als hij lacht, haal ik de muizen van stal.
Mijn doordringende hoge gepiep doet Louk schateren.
En mij ook.
En dat is Adriaan Roland Holst nog nooit gelukt.
Ik hoor dat Louk soms tegen zijn begeleiders zegt: ‘Oma koe.’
Tja, je moet er wat voor over hebben.





