Ongerijmd

Hij vraagt wat ik tegenwoordig zoal doe, ik reageer enthousiast: ‘Ik schrijf, korte verhalen en  gedichten.’
Verbaasd vraagt hij: ‘Gedichten? Jij schrijft gedichten? Kan jij zo goed rijmen?’
Ik vertel over dichtcursussen, over woordkeuze, over originele metaforen bedenken en clichés vermijden.
Over het verschil tussen proza en poëzie.
Over ritme, leegregels en regelafbrekingen op de juiste plaats.
Over anders omgaan met leestekens, hoe betekenis verandert als je een komma niet, wel of ergens anders plaatst.
Over de lol van zoeken naar het goede woord en de passende vorm tot elke regel klopt en er een gedicht is geboren.
Als voorbeeld lees ik hem mijn laatste gedicht voor.  
Hij schudt zijn hoofd: ‘Dat rijmt niet. Een gedicht moet rijmen anders is het toch geen gedicht?’
Ik zucht.
Vertel dat er meer is dan eindrijm, zoals middenrijm, binnenrijm, alliteratie.
Geef voorbeelden uit het werk van Annie MG en Vasalis.
Hij kijkt uit het raam en zwijgt.

 

27-9-22
Inspiratie: het ‘Woord van de Week’ in de Facebookgroep Ultrakorte Verhalen deze week: ongerijmd.
Op 30 september werd een iets ingekorte versie van dit verhaal gekozen tot een van de vijf meest opvallende ultrakorte verhalen in de Facebookgroep Ultrakorte verhalen in week 39

Niets

Het Woord van de Week in de Facebookgroep Ultrakorte Verhalen was deze week: Niets. Mijn fantasie sloeg op hol: 

 

Ik schrik wakker en weet zonder te kijken hoe laat het is.
Half vier.
Gapend stommel ik de trap af, trek in de keuken de voorraadkast open, grijp tussen de doosjes thee en zakjes soep.
Niets.
Automatisch pakken mijn handen het Cadburyblik van de kast en zoeken tussen het verzameld zoet.
Niets.
De groente la, de vriezer, misschien is er een zakje of een reep tussen  de rauwkost of onder de broodjes gegleden.
Niets.
Naar de gang. Rugzak, koffer, handtassen. Beschimmelde dropjes en uitgedroogde pepermuntjes.  
Niets.
Jaszakken. Bonnetjes, gebruikt zakdoekje, supermarktmuntje.
Niets.

 

Niets. Nergens.

 

 

20-9-2022

Tweede ronde september CorAaltjes

In de tweede ronde van onze laatste dichtsessie trokken Aaltje en ik deze vijf willekeurige woorden en verwerkten die in een gedicht: Delen, Niemand, Woord, Kaasschaaf, Iemand.
Dit is Aaltjes gedicht: 

 

Ik wil met niemand delen
als je met mij wilt spelen
moet je bereid zijn ieder woord
dat tot het ongerijmde hoort
luidop te kwelen
Ik wil met iemand dichten
die wonderen kan verrichten
door met een kaasschaaf, lepel
vork, een klokkenspel met klepel,
tijd te verlichten.
Zing mee, met lepel klepel vork
of mes, kom wees geen hork
neem woorden bruisend uit de bron
bewijs maar dat ook jij het kon;
dichten als plork.

 

En dit is mijn gedicht met die vijf woorden:

 

Zeer

 

De vernietigende blik, het wegwerpgebaar,
het woord dat met de precisie van een
kaasschaaf wordt losgesneden uit withete
woede, en nog een en nog een

 

oud zeer, koud als ijs heet als lava
wat deel je met iemand?
wat deel je nooit?
met niemand?

 

20-9-22

September CorAaltjes

Aaltje en ik deden weer een dichtsessie.
Tweemaal kozen we willekeurig vijf woorden uit een willekeurig boek (dit keer uit ‘De meeste mensen deugen’). 
Dit zijn de woorden uit de eerste ronde: Onze, Afgebroken, Gemoed, Vertellen, Hemel.

 

Dit maakte Aaltje:

 

We vertellen elkaar met ijle stemmen over
onze angsten die als strakgespannen
snaren natrillen van het venijnig
aanraken door toegespitste vingers
en zo het gemoed beroeren. Bremzout
als zweet en bloed het stroef afgebroken
akkoord. Zweepslag in het gelaat. Oud
oer-gevoel van alleen gelaten. De hemel
zonder sterren. Ver weg het geluid van
huilende wolven. Wij spelen eigen wijs,
weten beter. Op strakke snaren trekken
we het gemoed uiteen. Beroeren
beter weten. Wie het weet mag het zeggen;
oordeelt niet. IJl klinken onze stemmen.
***

 

En dit deed ik met die woorden:

 

Onze tijd

 

De jaren en mijn grijzende gemoed
hebben gaandeweg herinneringen afgebroken
verbrokkeld, tot stof doen vergaan in de aarde

 

Ik wil je vertellen hoe doorbestaan
de dagen grijs kleurt, hoe leeg de
hemel oogt sinds jij wegvloog

 

Dat is de helft, steeds vaker
kleuren dagen gulzig groen
straalt de hemel levend blauw 

 

moet ik mijn ogen bijna dichtknijpen
voor ik je schaduw zie oplichten
boven een horizon vol heimwee

 

14-9-2022

Pas op

(Dit is een pantoum, een gedicht volgens een vastgestelde structuur waarin vorm, inhoud en regelherhaling belangrijk zijn. Google voor de regels op pantoum)

 

 
Ze is bij mij, hij wilde even weg.
Ik klop melk voor de koffie,
nieuwsgierig kijkt ze rond,
ze herkent niets.

 

Ik klop melk voor de koffie,
we zijn dol op koffie verkeerd.
Ze herkent niets,
ik vertel over het DE bewaarblik.

 

We zijn dol op koffie verkeerd,
ik vraag weinig,
ik vertel over het DE bewaarblik.
Rustig blijven en geduldig.

 

Ik vraag weinig,
ik ken haar op mijn duimpje.
Rustig blijven en geduldig,
de tijd vliegt.

 

Ik ken haar op mijn duimpje,
nieuwsgierig kijkt ze rond.
De tijd vliegt,
ze is bij mij, hij wilde even weg

 

 
 
 13-9-2022

Oma op zolder

Mijn moeders moeder is een grote vrouw met een vriendelijk gezicht, ogen die alles zien, grijze lange haren in een knot gevouwen op haar achterhoofd.
Als klein meisje logeer ik graag bij haar.
Als de ooms grapjes met me uit halen die ik niet snap, roept oma ze tot de orde: ‘Hou eens op jongens, plaag dat arme ding niet zo.’

 

Oma overlijdt kort nadat mijn broertje wordt geboren.
Er wordt geruild met slaapkamers.
Voor mijn oudste zus en mij, ik ben 9, wordt op zolder een kamer gebouwd.
De rest van de zolder bestaat uit een smal middenstuk met aan weerskanten twee houten rasters waar platen karton op en tussen liggen.
Daar mogen wij niet komen, dat is gevaarlijk zegt mijn vader, ‘als je daarop loopt, zak je er doorheen.’

 

Op een nacht zie ik oma.
Ik schrik want ze staat op het gevaarlijke stuk van de zolder.
Mijn stem doet het niet maar toch hoort ze me: ‘Pas op, daar zakt u doorheen.’
Sussend schudt ze haar hoofd: ze zakt er niet doorheen.
Ze lacht naar me, ik word er warm van, wat is ze lief, ik wil naar haar toe!
Haar arm wenkt me eerst, dan zwaait ze naar me.
Ik begrijp het niet, ze wil dat ik kom maar ook niet.
Ineens is ze weg.

 

Opgetogen vertel ik ‘s morgens: ‘Oma was op zolder!’
‘Dat kan niet’, zegt mijn moeder, ‘dat heb je maar gedroomd, oma is dood.’
Maar ik weet het zeker: ‘Oma was daar!’
Ze zucht, is druk met babybroertje en kleinste zusje: ‘Jij ook altijd, oma is er niet meer, schiet op, je moet naar school.’
Als een zeepbel spat mijn blijheid uiteen.

 

Ik praat niet meer over oma en bewaar het voorval diep in me.
Af en toe diep ik het op en herinner me hoe blij ik was toen ik haar zag.
Soms vraag ik haar zonder woorden: ‘Droomde ik of was u er echt?’
En dan klinkt het in me:
‘Kind toch, natuurlijk was ik daar, ik was zo blij dat je me zag en hoorde, niet meer aan twijfelen hoor!’
Zie je wel …..

 

‘O ja, nog iets’, zegt ze dan, ‘Het is goed hier, je krijgt de groeten.’
Met een knipoog: ‘Je weet zelf wel van wie.’
Ik grinnik, jazeker weet ik dat.
Dag oma, dankjewel.

 

2015

Wisteria

Onder het beschermende Wisteria blad
verstilt hitte ons moeten en willen, tot
gekreun klinkt, wij zijn het niet. Onwillig

 

zoeken we, zien tussen klaterend blauw
knobbelige staken waaruit onheil sijpelt, we
deppen, snoeien wat zeer doet, maar stuk

 

blijft stuk. We kappen de stam, in droge aarde
zoeken we in wirwar en janboel tot het
bittere einde, trekken het voorbije los, halen het

 

omhoog. De los gewoelde wortels verdragen
het daglicht niet. We blazen onze handen
schoon. Er is niets. Dat is alles.

 

 

augustus 2022
Geschreven naar aanleiding van de les over Remco Campert in de cursus Poëzie online van Margreet Schouwenaar

 

 

Loflied op liefde

 

Chili
klepperende deksels
moe verhit hongerig
zoen in mijn nek
irritatie

 

Doezelen
traag ontwaken
hand op bil
zoen in mijn nek
hmmmmmm

 

Tranen
woedende woorden
afwerende gebaren
zoen in mijn nek
omdraaien

 

Diagnose
zo erg?
kunnen wij dit?
ja dit kunnen wij
samen

 

Avond
slaperig jongetje
tastend handje
Noukie oma liggen
tevreden

 

Terschelling
adem happend in de storm
heimwee naar de horizon
vragen vervagen
loslaten

 

Liefde is loslaten

 

23-3-2016

De sleutel

Jaren geleden vraagt iemand of ik mee ga naar de Achelse Kluis, de Sint-Benedictusabdij van Achel, een cisterciënzerabdij dicht bij de Belgische grens.
Dat zie ik wel zitten, het kost even om mijn agenda leeg te vegen, maar dat lukt.

 

Een paar dagen volgen we het dagritme van de broeders, eten met hen, gaan naar de dagelijkse missen in de kapel, genieten bij de lunch van het door de broeders zelf gebrouwen bier en wandelen in de bossen.

 

Het ritme brengt rust, langzaam verdwijnt de ruis die hoort bij twee banen, een studie en last but not least: een ingrijpend rouwproces.
Wat blijft, is het besef van waar het echt om gaat in het leven: een mix van moed, vertrouwen, aandacht en acceptatie.
Grote begrippen, die kort daarna samensmelten in een simpele zin.

 

Als ik, weer thuis, mijn koffer uitpak, vind ik de sleutel van mijn kloosterkamer in mijn koffer.
Vergeten in te leveren, o wat suf.
Beschaamd bel ik de contactbroeder, bied mijn excuses aan en beloof de sleutel onmiddellijk op te sturen.
Hij sust me laconiek:
‘Rustig maar Cora, het is de sleutel van de hemelpoort niet.’

 

En dat is sindsdien mijn mantra.

 

2017

Wolfje, een best wel gruwelijk sprookje

Routineus wierp zijn moeder vier jongen, ze stond alweer op haar poten toen er nog iets volgde.
Walgend keek ze naar het slappe zakje botten, wat was dit voor misbaksel?

 

Haar jongen groeiden voorspoedig, leerden prooien vangen, vijanden vermijden en samen eenstemmig huilen.
Behalve misbaksel Wolfje.
Hij zong vaak en hartverscheurend ‘Erbarme dich’ tot hem de bek werd gesnoerd omdat zijn gezang vijanden naar de roedel leidde.
Eten vangen mislukte meestal, als hij al eens een kip of konijn ving, dan ontsnapten die meteen want Wolfje was banger voor hen dan zij voor hem.
Bovendien belemmerde zijn motoriek hem, hij struikelde meer dan hij rende.
Zijn talent om prachtige pirouettes te draaien bleef helaas onopgemerkt.

 

Dat dit buitenbeentje, twee jaar later bij de geboorte van de volgende lichting jongen, de roedel werd uitgezet, was, in wolfoptiek, onvermijdelijk.
Eenzaam en onhandig zwierf Wolfje rond.
Tot er op een avond, terwijl hij eten zocht in een gft-container, een meisje voor hem stond, in een rode hoodie.
Ze schrokken van elkaar maar renden geen van beiden weg.
Van de bodem van de gft-container diepte ze restjes kipsaté op die ze samen oppeuzelden.
Niet eerder was iemand zo lief voor hem.
Vanaf die dag vergezelde hij haar, naar school, naar het hockeyveld, naar haar zieke oma die afgelegen in een bos woonde.

 

Waarom het, een paar maanden later, bij oma zo gruwelijk uit de hand liep?
Het blijft gissen.
Was het zijn chronische ondervoeding?
Een plots opvlammend oerinstinct?
Of was het zijn onvermogen te leven met de liefde van het meisje?

 

Vast staat dat Wolfje, staande naast oma’s bed, haar vlezige armen zag, verlekkerd  haar geur opsnoof en in een opwelling haar handen greep, likte, afbeet en opvrat.
Dat bleek slechts een amuse.
Hoewel ze wat overrijp smaakte, verslond hij haar vervolgens met huid en haar.

 

Toen hij de deur hoorde, keek hij, voldaan boerend, om.
Het meisje stond verstijfd in de deuropening, kijkend van oma’s lege bed naar zijn druipende kaken.
‘Waarom?’ vroeg ze verbijsterd.

 

Zijn antwoord verklaarde niets en alles tegelijk.
Ze smaakte heerlijk mals.

 

2016