Zo dom

 
Zorgvuldig zwart kant verbergt haar hals en armen
haar gezicht geplamuurd, ondoordringbaar bedekt
bang haar ogen en wijd opengesperd.
 
Haar lachje schuurt kippenvel op onze armen
schril klinkt haar stem en hartverscheurend hoog:
‘zo dom zeg, liep ik weer tegen een muur.’
 
De stilte duurt, tot mensen kuchen kleuren,
weg kijken. Iedereen ziet dat het niet waar is
maar niemand zegt er wat van.

 

28-1-2018

Opa’s

Ik hou van prille opa’s. Mannen die, eindelijk uit het
arbeidsproces, onwennig hun benen heffen als er
wordt gestofzuigd rond hun stoel. Die als ontheemde
daklozen zoekend zwerven door supermarkten. Die met
onzekere bewegingen, hun vragende  ogen op het
recept gericht, hun eerste pasta bolognese koken.

 

Op een dag krijgen ze een pakje in hun onhandige
armen gelegd. Bijna bang openen ze de omslagdoek
en zien neusje mondje gebalde knuistjes donkere ogen
die hen strak aanstaren. Diep in hen rommelt iets, een dood
gewaande vulkaan begint te borrelen, een hoekige glimlach
plooit hun stroeve kaken, kreetjes stromen uit hun mond
‘poele poele poele’, hun handen vormen zich tot
koesterende kommen, een onbekende tederheid
verspreidt zich over hun uitgebluste wezen.

 

Verrukt wijden ze zich wekelijks aan dit kleine leven,
spelen en zingen ermee, nemen het op de arm, wijzen
naar het vergeelde fotootje op het dressoir van een
jongetje met pet en pofbroekje ‘kijk, opa is net als jij.‘

 

15-7-2016

 

Ode aan introversie

Starend in de stromende regen vangt
mijn blik de druppels, volgt hoe ze 
zwellen elkaar zoeken in slordige slierten
wegen banen langs het raam, als tranen op
een wang voor ze van een kin vallen. 

 

Slenterend langs bomen met ogen,
verstopt achter sluike takken, komen dromen,
baar ik binnenpretjes die doldwaas in me
gisten groeien dartelen. Gniffelend volg ik ze:
ontdekkingsreiziger in mijn binnenste.

 

Ik koester ze in me tot de dag dat een leger
volwassen visies mijn muren bestormt. Mijn
verzet breekt, ik laat mijn kindjes los, zwaai
ze zorgelijk na, onderga gelaten vreemde blikken,
ongemakkelijk zwijgen, pijnlijk onbegrip maar
soms ook lach en lof.

 

15-7-2016

 

Levensgerecht

Oude liefdes zwevend tussen
voorbij en nooit vergeten
zacht zuurzoet als
aalbessen zonder suiker
 
Oprispingen van oud zeer, bitter als
ooit gehate lepeltjes levertraan,
felle flarden wrok en verwijt als
gepeperde chili con carne
 
Geslikt verteerd verwerkt
wacht het grand dessert,
maakt zielstrelend zoet
al het voorgaande goed

 

 1-9-2017

Varianten van dissonanten

Bij ‘Six Bagatelles for String Quartet, Op. 9’ Anton Webern

 

Hij pakt haar armpje, lacht brabbelt over samen
spelen, ze begrijpt zijn klanken niet, fluistert
verbaasd waarom doet hij raar?

 

Daar is die gek, hoongelach meandert tussen
muren, hij wil mee spelen, schopt naast de bal
struikelt over een uitgestrekte voet, ligt languit, huilt.

 

Dromerig schopt hij zacht tegen struiken, wiegt mee met
wuivende stengels, zingt blauwe bloem rode bloem
gele bloem. Rotjong, scheldt een voorbijganger.

 

In stiltes tussen zien en zeggen zwellen ze aan
dissonanten in de leegte van verloren onbevangenheid
ze schuren mijn huid, hem glijden ze goddank als bagatellen af.

 

Maar in de winkel lacht oma als hij onverhoeds haar
hand grijpt, aandringt kipje tok, vrolijk zingt ze
poesje mauw, verzaligd zoemt hij zachtjes mee.

 

De orgelman ziet hem, zet de vogeltjesdans in, met
fladderende armen glanzende ogen deint hij
zijn dans, applaus klatert hij schatert.

 

Beperkingen duiden zijn maat ,bakeren
zijn onbevangenheid, ik volg het kind en
voel zijn puurheid als hij mijn hand vindt.

 

 

Cora van B     9-2016

Hiep hiep Halina

Ze komt op als een rilling na een windvlaag
wordt betast en weggesmeten ligt jammerend
in een hoek starend smeulend tot ze oprijst
vuurspuwende Medea met vlammende blik.

 

Genadeloos veegt ze Freud en feminisme
op een hoop als kluwen haar op
een kappersvloer. Vilein scheurt ze
vastgeroeste vetes open fileert ze tot op het bot.

 

Pas tussen resten as en ongebluste waarheid
bindt ze in, buigt timide onder aarzelend applaus
niet wetend dat ze mijn naam noemde dat ze
mijn kind opdiepte dat ze het liefkoosde in de gloria
dat ze meer mij was dan ik ooit durfde zijn.

 

 10-6-2017

Dinges

De rituelen de ene kus op de wang werden er later
drie een omhelzing bleef een brug te ver
is hetzelfde ik kruip op de bank koester me in
haar wangen voelen vertrouwd onze geur
nestwarmte koffie appelgebak ‘dat vind jij toch het
lekkerst jammer dat slecht zo lekker is hè?’
 
‘Hoe zijn hun rapporten nog oorontstekingen met
die buisjes werkt hij nog steeds zo hard? Zo zijn
mannen je zorgt toch wel goed voor hem?’ Ze gaat
verzitten begint de bekende wijd uitwaaierende litanie
van mensenverhalen sporadisch over lief veel over leed
soepel volg ik haar ik ken de mensen hoewel velen amper
als de tijd verstrijkt stokt haar woordenstroom steeds
vaker zoekt ze zinloos in haar geheugen naar namen ‘Dinges’
het duizenddingendoekje duikt op dat zo dankbaar namen
van mensen ziektes winkels soapacteurs vervangt
‘Je weet wel Dinges die op de hoek woonde Dinges
daar kwam jij wel eens toch?’ steeds vaker sla ik
de plank mis heb geen flauw idee weet alleen
dit gaat niet over namen maar over samen
 
In mijn schoot vouwen mijn handen zich net zo als de hare
Dinges heeft ook in mijn geheugen een prominente
plaats veroverd maar het woord uitspreken doe ik niet
Ik mis haar wil haar hebben niet haar zijn

 

16-12-2016

Twaalf minuten

Twee vrouwen: hé jij hier
een monoloog uit twee monden
meandert door de coupé, als de een zwijgt
en hijgt naar adem, vervolgt de ander:

 

een moeder zo dement als een deur, een zoon wil
niet deugen en altijd maar klagen dat ik nooit
kom en altijd maar schelden dat ik zo zeur

 

zinnen klieven de lucht, woorden
kleven aan oren, mensen krimpen ineen

 

halte marconiplein pakken ze tassen
nemen afscheid: fijn je te spreken
metrodeuren zoeven achter hen dicht
de lucht is leeg en licht

 

iemand zucht iemand grinnikt.

 

 
Oktober 2016

Geluk in luide zomers

Voor mijn vader
Achter mijn gesloten ogen in de middagzon
doemt hij op uit zijn hiernamaals, ruik ik de
wijnsigaarmelange waar hij niet zonder kon
zoals hij hou ik van doorlopers en Bach, grijns ik
om taalgrappen, hunker ik naar de horizon, verdwijn
ik in de ingekeerde blik waar hij het patent op had
zoals zijn geest hem gijzelde, zo sluiert
mij de mijne, zoals hij liep loop ook ik 
in de zon me los kom bruiner blijer thuis.
Dan worden snerpend heggen gesnoeid
een kijvende ‘jij altijd jij nooit-litanie’ klinkt uit
naburige tuinen, luidkeels veegt elk het eigen stoepje
schoon en mijn draden naar het namaals stuk.
 
 
 
juni 2017