Dat je sleutel kwijt, dat je bang buiten
dat binnen de mattenklopper wacht
dat ook zonder rups die buxushaag was
afgestorven, dat je die verdwenen
foto’s allang verstopt had in de doka
van je hart, dat bloed op een witte broek
en hoongelach en priemende vingers;
jij slome duikelaar met rare vragen
moeilijkdoener met hoezo waarom, praat
mee, echt waar en ach en wee, het komt goed
en jaarlijks twee knuffels zijn er in
twintig jaar toch veertig
dat de sleutel toch, dat je opnieuw
en dat de sleutelbaard breekt en
onbereikbaar in het slot achterblijft
dat je staart naar wat rest, weet wat
je bent vergeten, die baard is al zo lang
dood dat het prikzoengevoel is weggesleten


