Een jaar was ik zwaar zwanger van haar, toen
werd ze geboren en bleef. De eerste jaren
een dag- en nacht aandacht eisende
dwingeland die zeurde, gilde, dreinde. Ik sloot
haar op in mijn donkerste kast en gooide de sleutel
weg, woest brak ze uit en klampte zich aan me
vast, nam mijn leven over. Tot ik me overgaf, kom
dan maar, en voor haar een plek maakte in mij waar
we langzaam leerden om te luisteren naar elkaar.
Door de jaren vergroeiden we, werden dierbare
huisgenoten. Verdriet is een puber nu, soms
aandoenlijk lief, soms tergend wreed en
brutaal, dan spreek ik haar toe en tegen en
binden we beiden in. Ze maakt zich los nu, zoals
pubers doen, soms, steeds vaker, verdwijnt
ze een nacht, dagen, een maand. Ik mis haar
niet, ik kan goed zonder haar want ik weet dat
ze weerkomt. We zijn van elkaar.


