Verdriet

Een jaar was ik zwaar zwanger van haar, toen
werd ze geboren en bleef. De eerste jaren
een dag- en nacht aandacht eisende
dwingeland die zeurde, gilde, dreinde. Ik sloot
haar op in mijn donkerste kast en gooide de sleutel
weg, woest brak ze uit en klampte zich aan me
vast, nam mijn leven over. Tot ik me overgaf, kom
dan maar, en voor haar een plek maakte in mij waar
we langzaam leerden om te luisteren naar elkaar.

 

Door de jaren vergroeiden we, werden dierbare
huisgenoten. Verdriet is een puber nu, soms
aandoenlijk lief, soms tergend wreed en
brutaal, dan spreek ik haar toe en tegen en
binden we beiden in. Ze maakt zich los nu, zoals
pubers doen, soms, steeds vaker, verdwijnt
ze een nacht, dagen, een maand. Ik mis haar
niet, ik kan goed zonder haar want ik weet dat
ze weerkomt. We zijn van elkaar.

 

 
8-9-2016

Grijs

‘zijn aarde en hemel inwisselbaar’: dezelfde foto, rechts op z’n kop

 

Stammen steken stakerig af tegen de
grauwe achtergrond. De wind is gaan liggen.
Gisteren is in mist verdwenen, morgen is
onzichtbaar in de nevelige verte.

 

Alleen hier, op deze stille plek in het bos,
heerst helderheid, spiegelen water en lucht
elkaar, zijn aarde en hemel inwisselbaar.

 

Mijn adem blaast wolkjes in de kille
lucht, druppeltjes glijden over mijn
wangen. Hoe kun je houden van vandaag?

 

10-12-2020

Pinksternakel

Een gedicht, samengesteld uit krantenkoppen uit de Volkskrant en Trouw van 27-11-20

 

Gruwelverhalen als enige houvast, soms
ronduit smakeloos: schietende kerstman
verdwaalt, helse pakjesavonden, bloedbad dreigt.
Opdat we niet vergeten: doe het rustig aan met de horror.

 

Hoe begrens je een levenswens? Gegrepen
door de hand van God? Rafelrandjes bijwerken,
is dat niet gewoon doormodderen? Sleutelen aan
je baby? Hij leefde langer dan gedacht, korter
dan gehoopt. Gedood door de tijdgeest.

 

Gelukkig zijn gesprekken vaak één lange
herhaling van zetten, van koekelekoek en
uilengekras en vergeef me,
ik was een eikel.

 

Je moet eerlijk zijn: dit nooit weer. Als je snel
wilt, ga alleen, als je ver wilt, ga samen.
Snap het verschil tussen wat echt is
en wat echt lijkt.

 

28-11-2020

Het huis in mij

Het huis in mij heeft muren waar meeuwen door
krijsen en babygehuil en soms een fanfareconcert.
Muren met orgelklanken die verstommen als ik
de organist zoek; mijn vader zwijgt onvindbaar.

 

Het huis in mij is een doolhof, ik verdwaal in lange gangen
loop lukraak kamers in. In de dampende keuken geef ik mijn
moeder druipende luiers aan, ze draait ze zwetend door de wringer,
ze zucht, ziet me niet.

 

Het huis in mij heeft een straflokaal waar genade zelden
telt, ik mag pas weg als ik heb afgedroogd of de stelling van Pythagoras
kan toepassen én de manshoge ramen heb gezeemd waarachter
de wereld steeds opnieuw beslaat.

 

Het huis in mij heeft een hemelfiliaal; oma werpt kushandjes,
tante lacht: ben je daar kind? buurman biedt een borrel aan. Ik droom
verdriet de hemel in, zoek de liefste en vind mezelf, proost met
Angst en hoor stormwind bulderen. Geen kaars dooft want

 

het huis in mij staat fier op de vaste rots van mijn behoud, het
verwacht de wind. En áls de kaars dooft, weet ik vuur te vinden:
ik ken mijn labyrint, zie het liefste, koester het kleinste, weet
waar de tent ligt en hoe hem op te zetten. En dat dit het is.

 

18-9-2020
Dichtopdracht voor de poëzieles over Maud Vanhauwaert

Liever hier

Ik volg het klinkerpad, dwaal af, stamel
tegen stenen tot zinnen zich vormen,
woorden klinken tot boven de kruinen
van oude olmen, losgezongen van hier

 

van vandaag. Vader vriend geliefde lopen
mee in mij, murmelen in de lentebries, ik
teken hun contouren in novembermist. Hoog
waait mijn hunkeren in het roodgeel
 
dansend herfstblad. Ze roepen: ‘kom, kom
hier, hier bij ons.’ Mijn armen reiken naar
winterse wolken, maar mijn voeten staan
gekleefd op de kasseien. Ik volg het klinkerpad

 

het klinkt in mij als jij en jij
en jij

 

 

31-10-2020
Dichtopdracht behorend bij de poëzieles over Cees Nooteboom

Burn-out blues

Wanneer verdween gisteren uit beeld
werd morgen een zwaard van Damocles
veranderde sergeant Agenda in een generaal?
Wanneer werd leven wankelen boven
ravijnen, de top nooit binnen handbereik,

 

werden dagen jongleren met afspraken, marchanderen
met valse verwachtingen, wanneer raakten
grip en geheugen verstrikt achter een
gemetselde glimlach, werden waarschuwingen
weggewuifd met loze beloften: morgen zal ik …

 

wanneer raakten de vergeet-me-nietjes van
voorheen verloren, werden de wijze woorden van
de witte berk niet meer gehoord, de lach van de lavendel
genegeerd? Wanneer spatte pijn uit poriën, stroomden

 

tranen onophoudelijk, weigerde bondgenoot brein
dienst? Wanneer werd het stil, was er geen taal
voor chaos, voor radeloos wachten op beter,
op het zien van de wenkende berk, het zingen
van de zonnebloem, de lach van de lavendel.

 

 

23-2-20
geschreven in het kader van de poëzie les over Antjie Krog

Vragenzee

Zou de zee zich wel eens vragen
            ik verlicht zorgen maar wie wil mij ooit dragen?
Zou de branding wel eens steigeren
            alle verdriet en eenzaamheid stug weigeren?
Zou het strand het wel eens zat zijn
            die zwijmelende geliefden in de maneschijn?
Zouden golven wel eens schateren van plezier
            om al die malle mensen hier?
Zouden schelpen zich wel eens storen
            aan wat ze horen in mensenoren?
Zouden kwallen wel eens warm worden bemind
            door een aandachtig mensenkind?

 

 
28-10-2016

Vandaag

Regengeruis op de ramen. Donker dat niet wijken wil
natte wangen, een rug die niet recht. Tijd gestold in
de vastgeroeste wijzers van het oude horloge dat vertelt wie
waren, niet wie is. Vragen in koffiedik, waarom ruikt

 

regen grijs, wordt zomerlicht niet opgeslagen in harten,
smaakt mango alleen ‘s zomers naar zon. Waarom zwijgt je
brein nooit, klopt je hart koppig door, leeft je mond lamlendig
mee met ziekte en zeer, loop je te lang met te veel. Hoeveel

 

stemmen moet je horen voor die ene zwijgt? Hoe voeten je
het bos in sturen dat zich niets aantrekt van verdwenen tijd.
Hoe regenboogdruppels glinsteren op gevallen blad, je ogen
ze vangen, je rug zich recht, de kans op anders opgloeit.

 

8-10-2020
Resultaat van de les over het gedicht: ‘Altijd dwarsliggen’ van Marieke Lucas Rijneveld in de cursus Poëzie online

Agendapunt

Stemmen zwermen, murmelen in kringen, een fluistert
in een oor, een mompelt dat ze iemand mist,
een hoge kerft kippenvel op mijn armen, een lage
sust me zacht weer glad. ‘Ze maken een leven als
een oordeel’, moppert mijn moeder in mijn hoofd.

 

De zwaarste breekt ons bruut af, het harmoniemodel
wordt achterhaald en verworpen voor schrijnend
vrouwenzeer, voor harde eisen, ze kneedt het baas-
in-eigen-buikmantra tot hapklare brokken ongemak.
De zwakste stemmen doven, slikken tranen en zeer weer in.

 

Ze wonen in de verste hoeken van mijn hart. In mijn
blauwste best, hees en haperend, meng ik me in
het paars krakeel. Sag mir wo die Blumen sind, wo
sind sie geblieben? Zwijgend staren ze me op afstand,
de zwaarste hamert me af, poëzie is geen agendapunt.

 

 

Opdracht uit de cursus Poëzie online, geïnspireerd door de les over Laurine Verweijen
augustus 2020

Rouwdata

‘rookte hij, heeft hij tot het eind gevochten 
het was voor hem het ergst, de goeien gaan 
het eerst, gelukkig heb je kinderen 
wacht maar de klap komt nog wel’

 

‘thuiskomen in een leeg huis is vreselijk, zit je
vaak alleen, je moet leuke dingen doen, je moet
me bellen als het niet gaat, je moet er over praten
mis je de seks, heb je al een vriend, dit is het laatste
pannetje eten kook nou zelf maar weer’

 

in het algoritme voor geluk ontbreken verdriet
en alleen leven, voorbij geluk herhaalt zich niet

 

als ik eindelijk alle rouwdata wis, wordt het lege huis 
een koesterende cocon, knelt mijn jas van rouw, barst 
hij open, opgelucht vliegen al mijn vlinders uit

 

 

22-11-2017
Schrijfopdracht cursus Poëzie online, inspiratie: les over Alfred Schaffer