Trumanlaan 45, 1974 – 1980

Oudste, net een jaar, dribbelde naast me naar de winkels om de hoek, aan de Van Heuven Goedhartlaan.
Hij wilde niet in de wandelwagen: ‘Selluf lopen.’
Zijn mond stond niet stil en met zijn stralende lach scoorde hij leverworst en snoepjes bij de slager en de bakker.

 

Op de terugweg deden we de zandbak aan waar hij torens bouwde.
Binnen de kortste keren kende hij de weg en wilde daar alleen naar toe.
Lang hield ik dat tegen maar gaf uiteindelijk toe en keek hem na toen hij trots, vier jaar groot, alleen naar de zandbak stapte.
Vanaf het achterbalkon keek ik op de zandbak en zwaaiden we naar elkaar.

 

Op de Zeven Gaven School, twee blokken lopen op de Trumanlaan, genoot hij .
Tussen de middag kwam Massimo mee eten, ‘want zijn moeder is weg.’

 

Jongste werd geboren.
Op zijn eerste verjaardag sliep hij een nachtje in het ziekenhuis aan de overkant van de Trumanlaan, waar hij werd ontdaan van zijn amandelen.
Ik sliep niet, dacht dat ik hem hoorde huilen aan de overkant. Machteloos, want ouders die bij hun kind in het ziekenhuis bleven, daar was in die tijd geen denken aan.

 

Ontelbaar vaak liepen ze de zes stenen trappen naar onze flat op de derde verdieping.
Voorzichtig eerst, langzaam, tree voor tree, de leuning goed vasthoudend.
Maar al gauw springend, rennend, treden overslaand.
Ze speelden in de portiek, reden op hun skelter en driewieler op de brede stoep voor de flat.

 

Vandaag zag ik op tv zwaarbewapende antiterrorisme-eenheden een portiek aan de Trumanlaan in Utrecht bestormen.
Ik herkende die portiek.
 
18-3-2019                    

Vooruitzicht

Ik moet een nieuw bed en vraag of zoon wil meedenken.
‘Wat voor bed wil je?’ vraagt hij.
Dat weet ik: het moet groter, hoger en met een betere matras.
Ik peins.
Hij leest mijn gezicht en waarschuwt:
‘Je gaat niet zeggen dat dit je laatste bed wordt, hoor.’
Ik lach, ‘Oké, dan zeg ik het niet.’
Hij grijnst zuurzoet.

 

In de winkel test ik matrassen en luister met gesloten ogen naar het gesprek tussen zoon en verkoper.
Ze bespreken bed accessoires.
Hoofdbord? ‘Ja’, zegt zoon, ‘dat wil ze maar niet te groot en niet kitscherig.’
Nachtkastje? Verlichting?
‘Nee, dat wil ze niet’, hoor ik zoon zeggen.
Dan wijst de verkoper op een aanbieding: een set waterdichte moltons: ‘Die nemen ouderen er vaak bij.’
Hij kucht even en vervolgt bijna fluisterend: ‘met het oog op ‘ongelukjes op latere leeftijd.’
Het blijft stil.
Huh?
Ik open mijn ogen en zie zoon diep nadenken.
Ik kan mijn lachen niet onderdrukken: dood mag ik niet maar lekken is kennelijk wel een optie.

 

 
11-3-2019                   
 

Belletje trek door een bangeschijter

Eigenlijk durf ik niet maar niet meedoen leidt tot koorzang:‘Cora is een bangeschijter ‘hi ha ho, Cora is een bangeschijter hi ha ho.’
Dus sluit ik me, zo onopvallend mogelijk, aan in de achterhoede bij het clubje branieschoppers, geleid door miss Hitler.
Miss H besluit welke straat vandaag aan de beurt is.
Ik maak me klein maar toch valt haar oog op mij.
‘Jij eerst’, commandeert ze.
Ze hanteert een lijst van slachtoffers met oplopend pakrisico.
De eerste en gemakkelijkste is de dovige aardige oude mevrouw die slecht ter been is.
Mijn gemompelde ‘Dat vind ik zielig’, wordt weggehoond, ik moet eraan geloven.
Op de hoek van de straat kijkt het dadercomité kritisch toe, klaar om zich uit de voeten te maken nadat ik heb aangebeld en de deur open gaat.
Met lood in mijn schoenen kijk ik eerst of de aardige mevrouw voor het raam staat.
Ik zie haar niet en hoop dat ze niet thuis is.
Weifelend druk ik op de bel.
Er gebeurt niks.
‘Harder en veel langer’ schreeuwt miss H uit de verte.
Ik volg haar orders op en luister vervolgens vol wroeging naar het langzame ‘slif-tik-slof-tik’ van sloffen en stokken die naar de deur komen.
Pas dan maak ik me uit de voeten.
Op afstand zien we hoe de deur opengaat, mevrouw rondkijkt, ons in de verte ziet lachen, haar hoofd schudt en haar huis weer in gaat.
Gelukkig, mijn beurt is voorbij.
Maar ik juich te vroeg.
Aan het eind van de middag, vlak voor onze moeders ons binnen roepen voor het eten, moet ik opnieuw bewijzen dat ik niet bang ben.
En wel bij het meest riskante adres: hier woont een gezin waarvan de vader militair is. Als hij thuis is, komt hij gegarandeerd meteen de straat op om de boef te pakken die hem lastigvalt met belletje trek.
Panisch en schietgebedjes plegend, bel ik aan, wil wegrennen, struikel en word in mijn nekvel gegrepen door een grote harde hand.
’Zo, nou heb ik je, vind je het nou nog leuk om belletje te trekken?’
Uit mijn ooghoek zie ik dat de straat leeg is, mijn medeboefjes zijn opgelost in het niets.
Huilend roep ik dat het niet leuk is en dat het me spijt en dat ik het nooit meer zal doen.
Daar zal hij wel voor zorgen, dat ik het nooit doe, bast de reus in uniform en vraagt waar ik woon.
Het komt niet eens in me op om een verkeerd adres te noemen.

 

Hij is inderdaad aan de deur geweest.
Mijn ouders waren boos maar meer nog verbaasd.
Ongelovig, ze kenden hun bangeschijter, vroegen ze of ik dit helemaal zelf had bedacht.
Ik kreeg straf maar meer voor de vorm: de matteklopper raakte mijn schuldbewuste billen nauwelijks.

 

4-1-2016

Thierry

Oudste heeft een nieuw vriendje.
Na schooltijd spelen ze bij ons.
Ik kijk en begrijp hun vriendschap: ze maken moppen.
De een begint, de ander vult aan, waarna ze slap van het lachen van hun stoel vallen.
Ze spelen vaak bij ons: ‘Dat vindt Thierry leuk’, zegt oudste.
Toch gaan ze op een dag na school bij Thierry spelen.
Opmerkelijk snel is oudste terug.
Nooit staat zijn mond stil, nu trekt hij zich zwijgend terug tussen zijn legobouwsels.
Dat is merkwaardig.
Ik vraag hoe het was bij Thierry.
Met grote verbaasde ogen fluistert hij: ’Mama, zijn moeder praat niet. Ze schreeuwt.’
Hij is even stil, heeft het er zichtbaar moeilijk mee.
’Maar we kregen wel cola en chips.’
 
 
 
15-8-2018

Zie je nou wel

Doezelend draai ik me om.
Dut weer in.
Daar is hij.
Dat is lang geleden.
‘Zeg, ik zei dertig jaar geleden toch al dat je iets moest doen met dat schrijven? Of anders de politiek in? Maar schrijven vind je leuker zie ik. Goed bezig meissie. Nou dat boek nog.’ Zijn stokpaardje.
Ik grinnik. Mannen.
‘Zeg, kom je nou naar beneden, om je gelijk te halen? Heb je niks beters te doen daar?’
Die grijns.
Die knipoog.
Ik krijg het er warm van.
Word wakker.
Jammer.
 
Nog dagen wijkt de glimlach niet van mijn gezicht.

 

15-7-2018

Het schaakbordje

Een jaren vijftig huiskamer: een leunstoel voor mijn vader en een voor mijn moeder, onze plek was aan de grote ronde eettafel.
Mijn vader kan ik uittekenen in zijn stoel, half onderuit gezakt, een grijze ChiefWhipwalm zwevend om zijn hoofd.
Op de vensterbank links van hem liggen slordige stapeltjes post, kranten, en bladen.
Daar bovenop ligt het zakschaakbordje met de rode en witte stukken.
Wij mogen niet aan die stapels en aan het schaakbordje komen, mijn moeder ook niet, ze stoft er omheen.

 

Twee keer per dag wordt er post bezorgd, ’s morgens en ’s middags (echt waar!).
Ik kan net lezen, alles waar letters op staan intrigeert me en daarom vind ik het leuk de post beneden uit de brievenbus te halen en er in te neuzen voor ik het stapeltje aan mijn vader geef.
Elke twee weken zit er tussen de post een briefkaart met op de achterkant hiërogliefen.
Terwijl ik de trappen op loop, probeer Ik ze te ontcijferen maar het lukt niet.
Vervelend vind ik dat want ik zie hoe mijn vaders gewoonlijk wat norse gezicht, oplicht als ik hem de post geef en hij die kaart ziet.
Hij legt de kaart apart, opent eerst de andere post.
Als die is afgehandeld, pakt hij de briefkaart en het schaakbordje.
Eerst staart hij naar de stukken, dan schuift hij het doosje open, haalt er een rood of wit stuk uit of doet er een in.
Nadenkend leunt hij achterover, soms een paar seconden, soms onbegrijpelijk lang.
Dan doet hij een zet, pakt een briefkaart, schrijft zijn zet erop en geeft hem aan mij.
Ik mag hem op de post doen.

 

Jaren intrigeert die ceremonie me.
Ik wil die briefkaart begrijpen.
Ik wil weten waarom schaken zijn gezicht vriendelijker maakt.
Ik wil leren schaken.
Maar hij wil me geen schaken leren want: ‘Meisjes kunnen niet logisch denken.’
Hij leeft allang niet meer maar als ik naar zijn zakschaakspel kijk, zie en ruik ik hem weer. Hoor zijn stem.
En vind ik dat ik best logisch kan denken.

 

29-9-2015

Proef liggen

Ze vragen me het hemd van het lijf:
‘Bent u een rugslaper, of zij, of buik? Slaapt u kort, lang, licht, diep? Op schuim? Op klei? Of op water? Springvering misschien? Slaapt u elektrisch?’
Mijn mond valt open.
Ik heb geen idee.
Ik wil gewoon een lekker bed.
Ze fronsen, wisselen blikken uit.
Dan zegt de een: ‘Dan kunt u beter eerst proef liggen, mevrouw.’

 

Het eerste bed ligt verrukkelijk.
‘Heerlijk, dit bed wil ik hebben’, zeg ik genietend terwijl ik me uitrek.
Weer wisselen ze blikken uit.
Dan: ‘Dit bed is te zacht voor uw formaat, mevrouw.’

 

Zuchtend ga ik door met proef liggen.
Met gesloten ogen, om hun vragende blik te vermijden, lig ik op mijn zij, rol op mijn rug en draai weer terug.
De deinende variant maakt me zeeziek.
De puur natuurversie kriebelt.
De volgende verspreidt een doordringende kilte in mijn botten. Dat klopt, zeggen ze, het duurt even voor de matras lichaamswarmte opneemt.
Schielijk schiet ik overeind, ik wil een warm bed.
Op naar het volgende.

 

Dat bed is hard, wat heet, dit is een plank.
Mijn rug scheldt me uit.
Mijn schouders verkrampen.
Met mijn ogen dicht lig ik en besef: dit bed voelt als een doodskist.

 

Kreunend krabbel ik overeind.
Met verwachtingsvolle blikken vragen ze: ‘En mevrouw, een keus gemaakt?’
Ik knik: ‘Ja, in mijn kist wil ik die eerste.’

 

14-12-2018

Deja vu

Zoon is er.
Hij repareert stopcontacten, ontlucht de cv, hangt gordijnrails op.
We gaan op stap voor een nieuw bed voor mij.
Staan in de file.
Praten over auto’s, schrijven, relaties, perfectionisme.
’s Avonds gaat hij stappen met een vriend.

 

Als ik aan het eind van de avond me omdraai in bed, haalt de tijd me in.
Doezelen, dutten, overeind schieten, als vanouds wisselen ze elkaar af.
De oude tweestrijd herleeft: ‘Is hij er nou nog niet, trut ga slapen, ja maar wat als …’
Klaarwakker kijk ik uiteindelijk om zes uur voorzichtig om het hoekje.
Zie een man van vijfenveertig in diepe slaap.

 

Geen deur piepte.
Geen traptree kraakte.
Geen kuchje klonk.  
Hij kan het nog steeds.
Geluidloos binnenkomen.

 

2-12-2018

Aftellen

Tientallen jaren werkte ze met plezier, met hart en ziel.
Wanneer het begon, kon ze achteraf niet zeggen, het sloop er langzaam in.
Het verstarren als de telefoon ging.
Aarzelen met opnemen.
Wachten tot het rinkelen stopte.
Hopen dat er niets werd ingesproken.
De zucht als de beller aanhield.
Als ze opnam, overwon de jarenlang ingesleten modus van opgewekte doortastendheid.
Luisteren, meeleven, troosten, het was haar tweede natuur geworden.
Wanneer de hoofdpijn erbij was gekomen, wist ze ook niet precies.
Eerst voelde het alsof puistjes werden leeggedrukt op haar achterhoofd.
Later alsof een voor een haar hoofdharen werden uitgetrokken.
De pijn schrijnde haar schedel, nestelde zich boven haar ogen.
In het begin incidenteel, tijdens een vergadering, als ze een intake deed, een functioneringsgesprek voerde.
Nog lange tijd verdween de pijn op weg naar huis maar gaandeweg bleef hij. Vergezelde haar als ze naar bed ging, was er als ze steeds vaker wakker lag, stond op met haar.

 

Op een dag begreep ze wat de hoofdpijn betekende: vierenveertig jaren werken in de zorg eisten hun tol.
Haar lijf was vol, haar geest overvol.
Niets kon er meer bij. Ze was op.
Maar ze moest nog acht jaar.

 

De opmerkzame zoon stelde de vraag die haar wanhoop doorbrak: ‘Acht jaar, weet je dat zeker?’
Samen onderzochten ze de mogelijkheden en ontdekten dat het kon: eerder stoppen.
De immense opluchting en blijheid die haar doortrokken, verjaagden de hoofdpijn.

 

Ze telde: verlofuren, overuren, levensloopuren.
Rekende.
Steeds kwam er dezelfde datum uit: 1 mei volgend jaar.
Dat werd de dag, besloot ze en schreef op de scheurkalender naast haar stoel: 357.
’s Avonds trok ze langzaam en weloverwogen het blaadje los, verscheurde het in ontelbare snippers, gooide ze in de papierbak en keek glimlachend hoe ze naar beneden dwarrelden.
Schreef toen op het volgende kalenderblad het nieuwe getal: 356.
Elke dag een nieuw getal, 355, 354, 353 …

 

Op 30 april 2014 hield ze een aansteker bij het afgescheurde blad, waarop 1 stond. Het ging in vlammen op.
Nog maanden daarna schreef ze elke dag een 0 op het kalenderblad.
Met een smiley. 

 

27-11-2018
Naar aanleiding van Schrijven OnLine schrijfopdracht # 221: schrijf een verhaal waarin een scheurkalender een rol speelt

Boodschap

In een stijf gestreken witte doktersjas strooide hij met begrippen als met pepernoten: reumatoïde artritis, chronisch, progressief, goudinjecties, Prednison.
Geïmponeerd en niet begrijpend staarden ze hem aan, met open mond.

 

De coassistent, in een gekreukelde witte jas boven een vale spijkerbroek, pakte het anders aan:
‘Heeft u kinderen?’
‘Ja, twee jongetjes.’
‘Fijn, jongens, dan kunnen zij later uw rolstoel duwen.’

 

Hoewel ze deze boodschap wel begrepen, staarden ze ook hem met open mond aan.

 

15-1-2018