Ik stond op, las de krant, reisde naar een vriendin.
We lunchten in een eetcafé, ik genoot van mijn verse muntthee, zij van haar glas wijn.
Met blije blosjes zei ze: ‘Wat heerlijk om elkaar weer te zien, daar knapt zo’n regenachtige woensdag helemaal van op.’
Ik knikte, lachte maar zei niets.
Inwendig vergoelijkte ik haar foutje: iedereen vergist zich weleens in de dag.
Pas toen ik ’s avonds in bed stapte, besefte ik wie er fout zat.
Ver weggedoken onder het dekbed lag dinsdag.
Verongelijkt mopperde ze: ‘Ik had geen zin vandaag. Maar je hebt me niet eens gemist!’



