Voor Rik
Gedoucht wordt er wel, maar hoe vaak, dat ontgaat ons.
De kapper is uit beeld verdwenen, haren worden verzameld in een staartje.
Puistjes verdwijnen onder lagen Clearasil.
Scheren, hoezo? Soms, na aandringen, wordt het pluizige dons op kin en bovenlip verwijderd.
Gedragen kleren tijdig in wasmanden deponeren is een brug te ver. Ze liggen verspreid in het hol waar daglicht een zeldzaam verschijnsel is geworden en worden opgediept als er niets schoons meer in de kast ligt.
Dit is het uniform: vuile jeans, versleten t-shirts, bedrukt met heavy metal iconen, ruikend naar sigarettenrook, vol zweetvlekken van het voetballen en smeervlekken van het plakken van fietsbanden die op mysterieuze wijze dagelijks lek lijken.
Soms als ik, op weg naar mijn werk in Spangen in Rotterdam, een groep op straat hangende junks passeer, schrik ik.
Meen contouren te herkennen, een blik, een t-shirt.
Vertraag mijn stap, tuur, het zal toch niet?
Als ik dit ’s avonds aan tafel vertel, word ik vierkant uitgelachen maar ook gerustgesteld: maak je niet druk, alle vrienden lopen er ook zo bij, gewoon iedereen, dat is ín.
O, echt? Nou, oké, als jullie het zeggen.
Jaren later open ik een appje.
Een foto glanst me tegemoet: een knappe jonge man, gladde huid, een trendy kort geschoren hoofd, in een perfect gesneden maatpak, een hippe stropdas.
Een grijns van oor tot oor.
Mijn mond valt open, nee, echt?
Hij reageert meteen, met een smiley en een knipoog en: ‘op weg naar een sollicitatiegesprek.’
En daarna, want dit is de zoon met wie ik in de afgelopen jaren vele concerten van Leonard Cohen heb bezocht, citeert hij: ‘Just a lazy bastard, living in a suit.’
Een trotse blije moeder stuurt een duimpje en een hartje terug.


