Gisteren deden we weer een dichtsessie, Aaltje en ik.
We prikten om de beurt een willekeurig woord uit een boek en verwerkten deze woorden elk in een gedicht: een CorAaltje.
Deze keer kwamen de woorden uit ‘Cliënt E. Busken’ van Jeroen Brouwers.
Dit waren de woorden in de eerste ronde:
Gebonk, Voordat, Afwacht, Prenten, Hersens.
Dit is Aaltjes CorAaltje:
De wolven
Gebonk op de deur. Voordat we de betekenis
beseffen van wat of hoe duiken we onder.
Koelte en duisternis in de kelder,
laat de wolven maar huilen, zegt vader.
Laat de wolven huilen daarbuiten ze dreigen
met tanden door het kelderraam Ze dragen
helmen met lantarenlicht, het oog van hun geweer
op ons gericht. Vader weet van geen betekenis.
Zoals de wolf afwacht. Het harig monster. Hij
slaat gaten met granaten. Laat zijn prenten
achter voor doden die opspringen uit hun grafgaten
terwijl onze harten exploderen. De splinters
maken onze hersens bewust wat oorlog is.
Laat de wolven maar huilen, zegt vader.
En dit is mijn CorAaltje:
Mijmering
Gaandeweg haperen mijn hersens almaar
meer, vervaagt mijn verleden, gaan feiten
verloren in gemijmer over vallende bladeren, verdrinkt
mijn vroeger in een zee van onverteerd zeer
Mijn hart dat aarzelend afwacht, blijft zich met
bang gebonk inprenten: het komt goed
het komt goed, het komt vast weer goed
voordat het onherroepelijk fout gaat

