Pluizebol

Ik geniet van mijn cappuccino als ze de ontbijtruimte binnenkomen.
Hij in een rood-wit voetbalshirt, alles aan hem is bol, zijn hoofd, zijn armen, zijn buik.
Zij, een hoofd groter, slank in een glanzend grijze legging en een strak grijs glitter t-shirt dat net haar navel niet bedekt.
Ik schat ze amper twintig en haar zo’n zeven maanden zwanger.
Hij sloft in elkaar gedoken voorop.
Zij loopt kaarsrecht achter hem aan, in haar armen een kleine ronde pluizebol met gitzwarte oogjes en punt-oortjes.
Een poes?
Nee, het keft.
Ze gaat zitten, plant Pluizebol op haar schoot en streelt haar.
Hij sjokt naar het buffet, komt terug met een bord vol etages brood, ei, spek, tomaten en mayonaise en drie bekers koffie.

 

Hij zet alles voor zich neer en valt aan.
Zij staat op, zet Pluizebol op de grond, ‘let jij even op haar?’ en gaat naar het buffet.
Hij gromt iets onverstaanbaars en slurpt koffie.
Keffend bedelt Pluizebol om wat lekkers bij hem, hij mompelt ‘teringteef’ en schopt haar weg.
Jankend verstopt ze zich achter een tafelpoot, probeert het dan opnieuw, vloekend schopt hij haar weg.

 

Bij het buffet graait de vrouw haar ontbijt steeds sneller bij elkaar, bij elk gejank omkijkend, hard fluisterend: ‘Jan! Jan! Niet doen!’
Ze haast zich naar de tafel waar hij nu klaar is met eten.
Ze schuift haar blad waarop een glas thee en een schaaltje yoghurt met fruit en muesli, op tafel en bukt zich naar Pluizebol die zich jankend in haar legging vastnagelt.

 

Terwijl ze bukt, kruipt haar t-shirt een paar centimeter omhoog en zie ik ze:
vijf scherp afgetekende  blauwzwarte vingerafdrukken op haar rug.

 

31-5-2022

Vertrouwen

Voor ik de metro in stap, koop ik een krant in de kiosk.
Althans dat wil ik, maar de krantenrekken die altijd buiten staan, ogen leeg, ze staan met de achterkant naar voren.
Vreemd, zijn alle kranten al verkocht?
Ik weifel, kom dichterbij, zie dat er nog stapels kranten zijn, pak er een en loop naar binnen om af te rekenen.
‘Goedemorgen mevrouw’, zegt een vlotte oudere vrouw als ze mijn krant aanpakt en langs de scanner haalt, ‘gelukkig kwam u binnen.’
‘Ja natuurlijk kom ik binnen, ik moet toch betalen?’ vraag ik en pin.
‘Mevrouw, u bent een uitzondering’ zucht ze.
Vragend kijk ik haar aan: ‘Hoe bedoelt u?’
‘Mevrouw, u moest eens weten, steeds meer mensen grijpen in het voorbij gaan een krant zonder te betalen. Daarom zet ik die krantenrekken nou met de achterkant naar voren, dan moeten ze even inhouden en kan ik ze van binnenuit zien.’
‘Echt? Maar dan mist u de klanten die de achterkant zien, denken dat de kranten op zijn en doorlopen.’
Ze zucht: ‘Mevrouw, ik mis veel meer omzet door mensen die een krant jatten, ze zijn razendsnel en al weg voor ik naar buiten ben gerend.’

 

Als ik haar verbijsterd aankijk, vertelt ze: voorheen had ze een paar dorpen verderop ook een kiosk bij een metro/busstation Met personeel, ‘echt goeie mensen hoor, scholieren die wat bij wilden verdienen, maar echt goeie lui, ze werkten hard, waren goed met klanten, echt hart voor de zaak weet u wel, echt waar. Toen werd mijn moeder ziek en overleed, ik was een week niet op mijn werk, geen punt, zeiden ze, wij doen het wel. Toen ik na een week terug kwam, zag ik dat er bijna niks was verkocht, van de voorraden was niks meer over, frisdrank, tijdschriften en sigaretten, de hele voorraad sigaretten, alles weg. En staatsloten, een hele stapel staatsloten, allemaal verdwenen.’
‘Nee, echt waar? Wat erg! Wat hebt u gedaan?’
‘Ja, ik heb ze aangegeven natuurlijk, en de politie is achter ze aan gegaan en natuurlijk moesten ze terug betalen.’
Ze haalt haar schouders op: ‘Maar ja, daar kwam niks van. Van een kale kip kan je niks plukken.’
Weer zucht ze.
‘Dus nou ben ik hier weer helemaal opnieuw begonnen, maar een gewaarschuwd mens telt voor tien hè, dus toen ik zag dat mensen kranten mee gristen zonder te betalen, toen dacht ik, dat gaat me niet nog een keer gebeuren, dus toen heb ik die rekken andersom gezet, als ze dan een krant pakken, dan zie ik hun gezicht en kan ik er achter aan. Maar gelukkig kwam u wel binnen.’
Ze glimlacht: ‘Wil u een bonnetje?
Wil u een tasje?
Dag mevrouw, fijne dag vandaag.’

 

14-4-2022

Deinen

Aan het eind van de middag en van mijn wandeling, komen ze uit het kinderopvangcentrum met de vrolijke naam en lopen voor me.
Zij groot, breed, rechte rug met rode rugzak, lila gestreepte wikkelrok, felroze jasje, paars haar.
Ze loopt met grote haastige passen.
Op haar linkerarm een baby, zijn ogen kijken over haar linkerschouder naar mij.
Ik zwaai naar hem, met een strenge blik staart hij me aan.
Een meter achter hen sjokt een kleuter, een grote pleister op zijn voorhoofd.
‘Mama ik was gevallen.’
‘Jongen toch.’
‘Toen had ik bloed.’
‘Had je bloed?’
‘Ja en dat zei ik tegen juf Joke.’
‘Goed zo, knul.’
‘Mama, toen veegde ze het af maar er kwam nog meer bloed.’
Mama schudt haar hoofd: ‘Jongen toch.’
‘Maar mama het bloed stopte niet.’
Hij sjokt, zijn ogen zorgelijk op de grond gericht: ‘Mama ik kan niet zo hard.’
Ze houdt in, pakt zijn hand.
Langzaam lopen ze voor me uit, baby staart me nog steeds onbewogen aan vanachter mama’s veilige schouder.
Ik had ze kunnen inhalen.
Ik had hier af kunnen slaan, het pad naar mijn huis in.
Maar mijn benen vertragen en blijven achter hen lopen.
In een kleine karavaan sjokken we langs de kerk voor mijn huis.
‘Mama, waarom is deze kerk zo klein?’
‘Er zijn ook kleine kerken, jongen.’
De baby deint mee op de schouder van mama, in de cadans van haar stappen.
Zijn ogen vallen bijna dicht, tot ik weer zwaai naar hem: hij spert ze open en daar is hij: een stralende hemelse tandeloze lach.
Ik lach naar hem, zwaai nog een keer en draai me om, nu kan ik naar huis.

 

17-3-2022

Geloof

Bij de Koopgoot staat een groep blije mensen bij een bord ‘Levende steen gemeente.’
Ze delen hun geloof met het winkelende publiek, zingen, delen brochures uit.
Juist als ik langs loop, pakt een van hen een microfoon en zegt langzaam en gedragen: ‘Jezus is opgewekt.’
‘Wow’, denk ik, ‘wat fijn voor hem! Geen last van angsten of depressies en vast ook geen najaarsdip! Maar ja, wonderen verrichten en mensen genezen was natuurlijk onwijs gaaf om te doen.’
Zalvend vervolgt de man: ‘uit de dood.’
O ja, dat is waar ook.
Maar opstaan uit de dood, hoe kicken is dat?

 

 

13-3-2017 

Een goede dag

De voordeur is open, gekromd staat hij achter zijn rollator, brengt een hand naar zijn hart, buigt en knipoogt.
Ik spiegel zijn welkom en stap naar binnen.
Hang mijn jas op en loop achter hem aan naar de keuken.
Met aarzelende bewegingen schenkt hij koffie in de kopjes die al klaar staan.
Ik zet ze op het blad waarop al een schaal pindakoekjes staat. Hij weet wat ik lekker vind.
Ik zet het blad op tafel.
We gaan zitten, drinken met kleine slokjes.
De stilte streelt ons.

 

’Droog overgekomen?’ vraagt hij na een paar minuten.
Ik knik, vraag: ‘Hoe gaat het vandaag?’
Hij zwijgt lang, peinst, zegt dan: ‘Het is goed.’
Zijn stem klinkt verbaasd.
We kijken naar buiten.
Hij wijst naar een wolk: ‘Kijk, die daar, dat wordt een bui, ga maar.’
‘Goed’, zeg ik, sta op, loop achter hem aan naar de kapstok, trek mijn jas aan.
Hij opent de deur, zegt, een hand op zijn hart, zijn ogen in de mijne: ‘Dit is een goede dag.’
Ik knik, mijn hand op mijn hart: ‘Dit is een goede dag.’

 

 
10-8-2021

Sla

Ik rust even, drink water, kijk om me heen.
Twee vrouwen komen aanlopen.
Grijze hoofden, wijde linnen broeken, druk gesticulerend, diep in gesprek.
Flarden vang ik op: ‘Daar kan je nou ook al niet meer eten, je wordt gewoon niet toegelaten zonder want dan riskeren ze een boete. Belachelijk.’
Ik schil een peertje, knik vriendelijk als ze passeren.
Nietsziend glijden hun ogen over me heen.
De een, boos: ‘En iedereen gelóóft die onzin.’
De ander sust: ‘Maakt toch niks uit, joh, eigenlijk hoef je je huis niet uit, jouw sla smaakt veel lekkerder, zonder al dat gif.’

Bevolkingsonderzoek

We wachten op onze beurt en praten over het onderzoek.
Sommige vrouwen hebben nergens last van, anderen vertellen breeduit over grote blauwe plekken, gekneusde ribben, dagen napijn: ‘Maar ja, kanker is erger hè?’
De vrouw naast me schudt haar hoofd en doet een duit in het zakje: ‘Met de mijne mogen ze alles doen’ zegt ze, ‘echt alles, nergens last van, pletten, knijpen, ze doen maar, mijn kleinkinderen kaatseballen d’r zelfs mee.’
De mijne krimpen al in elkaar bij het idee, ik sus ze: het is maar vier keer 20 seconden elke twee jaar.

 

Na afloop, als ik in de wachtkamer afwacht of de foto’s gelukt zijn, ploft de vrouw weer naast me.
Ze stoot me aan: ‘De eerste foto’s waren te vaag, toen moest alles nog een keer.’
Met een guitige knipoog: ‘Toen heb ik ze versierd en deden ze het beter, ze stonden er prachtig op zei die zuster.’
Ze schatert en slaat zich op de knieën.

 

Als ik naar huis rij, haalt ze me hard toeterend in.

 

‘s Nachts zie ik ze vliegen: plat geplette feestende roodblauwe borsten, versierd met slingers en confetti.
Ze kaatseballen met elkaar.

 

Herziene versie van 14-9-2018  

Broek

Het is een warme lentedag, ik loop in het polderbos.
Een kleine gekreukelde oude man komt aanfietsen.
Ik ben al oma maar hij zou mijn opa kunnen zijn.
Onhandig stapt hij af en zet zijn fiets tegen een boom.
Begint dan zijn fietsbroek naar beneden te trekken, wankelt, valt om, sjort liggend op zijn linkerkant verder aan de pijpen tot die vastgedraaid zitten om zijn enkels.
‘Heeft u hulp nodig?’ vraag ik.  
‘Die regenbroek moet uit, die moest ik aan van mijn vrouw, reuma weet u wel, maar hij is veel te warm.’
Machteloos trekken zijn vergroeide handen aan de onwillige broekspijpen.
Ik hurk voor hem, draai voorzichtig de broekspijpen los maar krijg ze niet over zijn schoenen en kijk om me heen.
Een man die zijn hond uitlaat, houdt zijn pas in en vraagt of hij iets kan doen.
De oude man wijst naar zijn enkels en hijgt: ‘Uit, uit.’
De hondenbezitter hurkt naast me en trekt de verknoopte veters los van de schoenen van de oude man, samen trekken we de regenbroek uit, de schoenen weer aan en hijsen tussen ons in een senior omhoog in een strak zwart wielrennersbroekje.

 

Hij bedankt ons vriendelijk, wankelt naar zijn fiets en frommelt zijn regenbroek in een fietstas.
‘Redt u het zo? Moet u nog ver?’  vraag ik.
‘Dank u wel mevrouw, ik red het best, ik heb maar vijfentwintig kilometer gedaan vanmorgen, had u me vroeger moeten zien, toen fietste ik zo honderdvijftig kilometer op een dag. De vorige keer belden ze hier een ambulance maar dat was helemaal niet nodig, ik woon maar vijf minuten hiervandaan.’
Hij klimt op zijn fiets en rijdt slingerend weg.

 

Twijfelend kijk ik hem na, de vorige keer???
De man met de hond schudt zijn hoofd, grinnikt en zegt: ‘Daar gaat ons voorland, mevrouw.’

 

6-6-2021

Kapsones

Bolle wolken die zich spiegelen in plassen, openspringende narcissenknoppen, uitbottende bomen, lichte lentewind, zachte zon.
Pas als hij zijn fiets met steunwielen draait, terug fietst, pal voor me afstapt en naast me gaat zitten op het bankje, schrik ik op.

 

Een grijzende man met een kinderlijk hoofd en verbaasde ogen kijkt me ernstig aan: ‘Heb jij kapsones? Ik woon daaro met Loes en Frans en Willem en ik fiets hier elke dag een rondje en zeg hoi tegen iedereen en dan kijk ik wie ook hoi zegt, waarom zeg jij geen hoi, heb jij kapsones?’

 

Hij luistert, zijn ogen strak in de mijne zonder te knipperen, naar mijn sorry over de wolken en de narcissen en de bomen en de wind en de zon.
Hij denkt even na, knikt dan begrijpend: ‘Ja, dan zag jij mij niet want jij keek naar al die andere dingen. Maar de volgende keer wel hoi zeggen hoor.’
Dat beloof ik.

 

14-4-2021

Plamuur

Pratend plamuurt hij gaten dicht, saust het plafond, knipt behangbanen, smeert ze in, plakt ze lijnrecht op de muren, schildert en passant een kast, hangt luxaflex op, legt en snijdt vloerbedekking.
Dagen lang hoor ik bij de koffie fragmenten van zijn leven:
Na school niet spelen maar helpen in de zaak.
Ziek in bed liggen in een leeg huis, zijn ouders waren op de zaak.
Zijn eigen kostje koken.
Vakanties kende hij niet: een gesloten zaak verliest klanten.
Eenmaal volwassen nam hij de zaak over.
Vanzelfsprekend, vond hij.
Maar hij wilde geen kinderen: zo’n leven mag je kinderen niet aandoen.

 

Hoogzomer is hij klaar.
Tevreden nemen we afscheid.
Ik vraag of hij nu wel op vakantie gaat.
Hij schudt zijn hoofd, dat gaat niet want zijn oude zieke poes kwijnt weg als zijn vrouw en hij er niet zijn, hij weigert eten en medicijnen van anderen.
‘Ik blijf met liefde thuis voor hem.’

 

11-3-2018