Mee

Het gebeurt op het laatste stuk van mijn heerlijke herfstwandeling.
In de verte zie ik een opstootje op de parkeerplaats bij het verpleeghuis.
Bij een auto staat een vrouw, klein, smal, haar rug diep gebogen.
Leunend op een looprek praat ze met de vrouw achter het stuur.
Als ik nader, hoor ik haar roepen: ‘Open! Doe nou open, ik wil mee.’
De vrouw achter het stuur schudt haar hoofd: ‘Nee mam, je kan niet mee, ga nou naar binnen, ik kom morgen weer.’
Moeder trekt aan het handvat van de deur, bonst op het autodak, schreeuwt: ‘IK WIL MEE!’

 

Uit het verpleeghuis komt een verzorgende aangelopen, sussend zegt ze: ‘Komt u maar mee, mevrouw.’
Ze krijgt een vinnig: ‘Denk maar niet dat ik met jou mee ga!’
De verzorgende praat, soebat maar de vrouw schudt driftig haar hoofd, haar ogen spuwen vuur.

 

Voorbijgangers kijken op, zo ook de postbode die zijn ronde loopt langs de huizen naast de parkeerplaats.
Hij kijkt even toe, zet dan zijn fiets tegen een boom en loopt naar de auto.
Hij glimlacht naar de vrouw achter het stuur, kijkt vragend naar de verzorgende die knikt.
De vrouw heft haar looprek, ramt de autodeur, gilt: ‘Ik wil mee!’
De postbode neemt het looprek van haar over, zet het neer.
Zwijgend wacht hij tot ze stopt met schreeuwen en hem aankijkt.
Verbazing glijdt over haar gezicht: ‘Wie ben jij?’
Hij pakt haar arm en zegt vriendelijk: ‘Ik ben Tom, ik heb zo’n dorst, heb jij een kopje thee voor me?’
Haar boosheid smelt weg.
Ze aarzelt.
‘Ga je mee, dan gaan we naar binnen.’
Langzaam draait ze zich van de auto af, hij geeft haar het looprek, pakt haar elleboog.
Samen lopen ze naar binnen.

 

De vrouw in de auto sluit het autoraam.
Tranen stromen langs haar wangen.
Dan legt ze haar hoofd op het stuur, ik zie haar schouders schokken.

 

19-10-2020
Een verkorte versie van dit verhaal werd op 23-10-2020 gekozen als een van de vijf ultrakorte verhalen van week 43 die opvielen in de Facebookgroep Schrijven Magazine Ultrakorte verhalen vanwege hun originaliteit, verrassende wending, kwaliteit of spraakmakendheid.

Dans

’t Is een herinnering zoals zovelen, maar deze ene laat mij niet los’
Orkest Zonder Naam: Het Lentekind

 

Een zonnige zomerochtend.
Ik loop op het pad langs de vijver en geniet van de stilte als ik in de verte een kind zie.
Hij is een jaar of tien schat ik.
Hij huppelt, wijst naar de wolken, naar de waterlelies, staat stil, neemt het onhoorbare applaus in ontvangst, buigt diep.
Dan strekt hij zich en vervolgt zijn dans.
Zijn gezicht naar de zon geheven, beweegt hij, draait een pirouette, zijn armen hoog boven zijn hoofd.
Ik nader voorzichtig, hou mijn pas in, kijk ademloos toe.

 

Tot hij me ziet.
Hij verstijft, een blos kleurt zijn wangen.
Ik klap in mijn handen: ‘Wat dans jij prachtig, alsjeblieft, dans door!’
Maar de betovering is verbroken, hij schudt zijn hoofd, draait zich om, rent weg.

 

15-9-2020
Een verkorte versie van dit verhaal werd op 189-2020 gekozen als een van de vijf ultrakorte verhalen van week 38 die opvielen in de Facebookgroep Schrijven Magazine Ultrakorte verhalen vanwege hun originaliteit, verrassende wending, kwaliteit of spraakmakendheid.

Afstand

Vaak wandel ik in het polderbos aan de rand van het dorp, genietend van deze virusvrije oase in lentepracht.
Geen vuiltje aan de lucht zou je denken.
Dat klopt.
Meestal.

 

Op een warme middag zie ik op het bospad een kleine kaarsrechte gestalte.
In een keurig pak, een geruite pet op, leunend op een wandelstok, nadert hij langzaam.
Op een meter of tien afstand, tikt hij twee vingers tegen zijn pet, nijgt zijn bovenlichaam, groet beleefd: ‘Goedemorgen mevrouw.’
Vriendelijk beantwoord ik zijn groet en stap tegelijkertijd de berm in zodat hij me op gepaste afstand kan passeren.
Hij ziet mijn uitwijkmanoeuvre en vertraagt zijn pas.
Zijn glimlach verdwijnt, zijn ogen worden groot, verontwaardigd zegt hij: ‘Maar mevrouw, u hoeft niet bang te zijn voor mij, ik mankeer heus niets!’
Ik hakkel: ‘Sorry, ik heb ook niks, ik geloof u hoor, maar corona.’
Hoofdschuddend loopt hij door, ‘Laat u niet gek maken, mevrouw.’

 

Een paar dagen later loop ik weer op datzelfde bospad, genietend van het zonlicht op het lentegroen.
Soepel slalom ik langs andere wandelaars.
Een kromme gestalte nadert.
Warrige baard, flodderige broek, morsige trui.
Handen omklemmen een rollator.
Zijn lippen bewegen geluidloos.
Elke stap lijkt een moeizaam behaalde overwinning.
Ik stap de berm in zodat de afstand tussen ons een paar meter blijft.
Hij ziet het, stopt, zet zich hijgend op het zitplankje van zijn rollator.
Traag, glijdt zijn blik over me heen.
Van top tot teen en weer terug.
Een geile grijns.
Een vette knipoog.
Een doorrookte bromstem: ‘Corona, corona. Vreselijk jammer toch? Vin je ook niet?’

 

13-4-2020
Een bewerking van dit verhaal is op 15-4-2020 geplaatst op de site ‘500 Magazine aan Zee’

Tovertaal

Hij heeft geen weet van zijn dwarse DNA dat
woorden onbegrijpelijk maakt, vraagt nooit waarom,
componeert zijn dag rond de klank van mijn stem, de stand
van mijn mond, de lach in mijn ogen, feilloos leest hij

 

mijn rimpels, hakt een wak in mijn woorden, vult het met
vrijheid, ‘mag niet’ wordt een spannend spel, bij poepen hoort
Berend Botje, hij zwaait naar tijgers in mijn tuin, doet alle lampen
aan, danst in een zonlichtbaan, schatert om zijn schaduw op de wand

 

hij leeft langs de pandemie, kent geen quarantaine, geen
afstand, plant kusjes op mijn kruin als ik zijn veters strik, we
kijken hoeveel kietels passen op zijn rug en zoenen
de autoruit tussen onze handen en monden

 

voor hem geen woorden, geen zorgen,
geen gisteren
geen morgen

 

 

12-4-2020
Resultaat van de schrijfopdracht ‘Wat is taal? in het kader van de poëzie les over Hester Knibbe. Dit gedicht kwam door de eerste ronde van de landelijke dichtwedstrijd ‘Prijs de Poëzie’ en kreeg de volgende feedback: 
  • Ontroerend en lieflijk gedicht, de tegenstelling tussen de zorgeloosheid van de jongen en de zorgen van de ouders om de jongen wordt heel invoelbaar gemaakt. Ik vond het wel jammer dat je alles uitlegt en al in de eerste regel het ‘dwarse DNA’ noemt, je laat daarmee weinig ruimte voor de lezer om zelf iets in te vullen. Je zou misschien eens kunnen proberen wat er met de spanningsopbouw gebeurt als je de uitleg over het ‘dwarse DNA’ pas verderop in het gedicht deelt. Hij ‘hakt een wak in mijn woorden’ vind ik een prachtig beeld.

 

Woordenwasser

Aan mijn bureau voor het raam worstel ik met een gedicht.
Iets met vroeger, voorbij, verloren, verdriet.
Hoe verwoord ik dat zonder clichés, zonder herhalingen?
Als ik een synoniem zoek voor somber, kreunt het raam ineens.
Ik kijk op, recht in het gezicht van de grijnzende glazenwasser.
Met brede halen sponst hij de ramen, peutert de hoeken schoon, neemt en passant de kozijnen mee.
Zeemt dan secuur alles droog en mijn hoofd leeg.
Knipperend kijk ik naar buiten.
De zon schijnt uitbundig, de lucht is zomerblauw, de wereld is licht.

 

Schone ramen zijn een ramp voor dichters.

 

 

6-4-20
Dit verhaal werd op 10-4-2020 gekozen als een van de vijf ultrakorte verhalen van week 15 die opvielen in de Facebookgroep Schrijven Magazine Ultrakorte verhalen vanwege hun originaliteit, verrassende wending, kwaliteit of spraakmakendheid. 

Kaart

We praatten over vroeger, kwalen, kinderen.
Haar nuchterheid en mijn ironie maakten het leven behapbaar.
Nuchter bleef ze, tijdens onderzoeken, na het slechtnieuwsgesprek.
Ik weifelde, ging toch naar haar toe.
Coronaschone handen, niets aanrakend, op anderhalve meter afstand.
‘Stel je niet aan’ zei ze.
‘Ik wil je niet besmetten.’
‘Ik ga toch dood.’
En toen lachten we toch als vanouds.

 

Nu, in een hospice ver weg, is ze te moe om te bellen, te appen.
Kaarten sturen mag nog, zegt haar dochter die vertelt hoe hard haar moeder achteruitgaat.
Tientallen kaarten gaan door mijn handen.
Ik vind de goede niet.

 

30-3-2020
Dit verhaal werd op 3-4-2020 gekozen als een van de vijf ultrakorte verhalen van week 14 die opvielen in de Facebookgroep Schrijven Magazine Ultrakorte verhalen vanwege hun originaliteit, verrassende wending, kwaliteit of spraakmakendheid. 

Coronalente

1960
Oma leunt op het tuinhek, aan de andere kant hangt de buurvrouw haar was op.
Ze zeggen woorden die ik niet ken.
Ik pak mijn knikkerzak en ga naar ze toe.
Naast oma’s voet maak ik een knikkerkuiltje, aai stiekem haar been.
Ze voelt het, kijkt, knipoogt, ‘Lekker knikkeren, meiske.’
De zon, haar been, haar lach, alles is warm.

 

2020
Ik loop door de polder.
Geniet van het uitbottend groen, het bloeiend geel alom, de warme lentezon op mijn huid.
De lente stoomt hier op, onverstoorbaar en virusvrij.
Een fietser nadert, op vijf meter afstand van me stopt hij, stapt af.
Aarzelend kijkt hij me aan, vraagt dan: ‘Kan dit wel?’
Ik glimlach, knik automatisch: ‘Ja hoor.’
Hij stapt weer op, passeert me op het smalle pad.
We raken elkaar net niet.

 

Als hij voorbij is, zucht ik.
Besef dat ik mijn adem inhield.

 

19-3-2020
De 99woordenversie van dit verhaal werd op 20-3-2020 gekozen als een van de vijf ultrakorte verhalen van week 12 die opvielen in de Facebookgroep Schrijven Magazine Ultrakorte verhalen vanwege hun originaliteit, verrassende wending, kwaliteit of spraakmakendheid.

Relatie

Ze verdedigde hem zoals een leeuwin haar
speelse jong koestert want lang en gelukkig
moesten ze leven, gebonden aan hun Bijbelse
belofte, tot aan het einde der tijden.

 

Ze verdroeg zijn gedrag van heer van stand,
bleef staande toen hij haar teisterde met ontrouw,
onderging zijn doordrukken van partnerruil,
verborg lang zijn loze beloften en haar botbreuken.

 

Ze fileerde hem in een sonnet op Facebook dat
met slechts een enter zijn wereld vernietigde.

 

Dit gedicht werd op 28-2-2020 gekozen als een van de vijf ultrakorte verhalen of gedichten van week 9 die opvielen in de Facebookgroep Schrijven Magazine Ultrakorte verhalen vanwege hun originaliteit, verrassende wending, kwaliteit of spraakmakendheid.
Het ontstond in een dichtsessie met Aaltje op 19-2-2020 waarbij we willekeurig vijf woorden kozen en die elk verwerkten in een gedicht. Dit is mijn gedicht met de woorden:
Teistert, Heren, Gebonden, Drukken, Relatie.

Narcis

Dagelijks gingen we lunchwandelen, even uit de bedompte atmosfeer en het continue stemmengeruis om ons heen.
Terwijl we stevig doorstapten vertelde ze over haar pijnen, de streken van haar ex, haar moeilijke oudste.
Ik luisterde.
Onlangs onderbrak ik haar, vertelde over de diagnose, behandelingen, mijn schrik.
‘O, wat erg’ stamelde ze.
Zwijgend liepen we terug naar kantoor.
Toen ik de dag erna vroeg of ze mee ging, weifelde ze, besloot toen: ‘Oké, ik moet toch nog narcissen halen. Maar het is wel de laatste keer.’
‘Hoezo?’
‘Ik kan jouw ellende er niet bij hebben, ik heb zelf al te veel.’

 

Gekozen op 21-2-2020 als een van de vijf ultrakorte verhalen van week 8 die opvielen in de Facebookgroep Schrijven Magazine Ultrakorte verhalen vanwege hun originaliteit, verrassende wending, kwaliteit of spraakmakendheid.

Boom

Waaibomenhout schamperde mijn
vader, die boom haalt het voorjaar niet
die boom overleeft jullie zei mijn
schoonvader die hem plantte.

 

Fier staat de krulwilg op zijn
nieuwe plek, stoere stam, trotse
takken, het paasgroen bladerdak
een schuilruimte voor de
knuffeltijger van het kleinkind.

 

Zijn krulblad wiegelt met alle winden
mee, de knoestige oren aan zijn stam
luisteren zonder te horen, geheimen
verdwijnen worteldiep de grond in.

 

Toch borrelt in novemberstormen
ondergronds gegrom omhoog, klinkt een
dwars gemompel dat opgaat in windvlagen
en verdwijnt voor het verstaan kan worden.

 

22-11-2019 
Maart 2021 plaatste ervarings- en uitgeefplatform UitJeErvaring dit gedicht zowel in de papieren als in de e-bundel: ‘Oost West … Gedichten over thuis’