Dat wist ik niet

Dat doorleven zonder hem leeg en lang
zou voelen maar ook licht en veel belovend,
dat met dat lieve lijf de liefde niet zou sterven maar
zou transformeren in een nieuw leven,
dat hoopte ik

 

Maar dat zijn antwoorden op mijn voortdurend vragen
waarom hij van me hield, zich in mijn cellen nestelden,
en dat van tienduizenden samendagen juist passie
zich in mijn poriën verankerde, dat residu van
spaarzame ruzies die eindigden met het naakt, naakter
dan in seks, tekenen van de vrede op elkaars lijf.
Dat wist ik niet

 

Dichtopdracht naar aanleiding van de les over Hester Knibbe in de cursus Poëzie Online, april 2017.
In maart 2020 werden twee gedichten van mij geplaatst in de bundel ‘Ongezien’, een uitgave van de stichting Uitjeervaring, dit is er een van.
 
 
 

Zee heeft zeer

Langzaam beklim ik het duin, sta stil op de top, kijk rond.
Waar is ze?
Mijn ogen zwerven over het strand, de horizon, de lucht.
Ik zie haar niet: de zee is zoek.
Op haar vaste plek tussen het strand en de horizon zie ik alleen een deinende grijze deken.
Ik loop er naar toe, licht een hoekje van de deken op, vraag: ’Ben je daar, zee?’
‘Ssst’ fluistert ze, ‘ik ben verstopt.’
Ik schrik, ‘Waarom, wat is er aan de hand?’
‘Ik heb zeer’, zucht ze.
‘Ach wat naar, wil je een knuffel?’
‘Brrr’ hoor ik.
‘Zal ik in je zwemmen?’
‘Tsss dat durf je niet’ buldert ze.
‘Zal ik voor je zingen dan?’
Onder de deken klinkt gedempt geproest: ‘Alsjeblieft zeg, bewaar me.’
Gelukkig, lachen kan ze nog wel.
‘Oké, misschien beter van niet’ geef ik toe.
Ik spreid mijn handdoek uit en ga naast haar liggen.
Peins: waar heeft een zee met zeer behoefte aan?
Lang en stil liggen we zo, ik op mijn handdoek, zij onder haar deken.
Soms gromt ze, dan brom ik instemmend mee.
Soms glijden er tranen over mijn wangen, dan rolt er een sussende schuimrand onder de deken uit.
Soms golft ze even over mijn voeten, dan knik ik: ‘je hebt gelijk.’
Ik weet niet hoeveel tijd er voorbij is gegaan, als ze ineens de deken opzij duwt en tevoorschijn komt, fris en stralend, bruisend van levenslust.
‘Het is klaar’ zegt ze, ‘ga maar.’
‘Goed’ zeg ik, sta op, vraag: ‘zal ik nog eens langs komen?’
Haar branding buigt genadig: dat mag.
Ik zwaai: ‘Dag zee.’
Ze ruist: ‘Dag mens.’
3-4-2022
Met een knipoog naar het gedicht: ‘Ik zie de zee’ van Frank Eerhart

 

Een bewerking van dit verhaal, getiteld ‘Mist’,  werd op 3-6-22 gekozen als een van de vijf beste vijf Ultrakorte Verhalen of Gedichten van de Facebookgroep Schrijven online Ultrakorte Verhalen in week 22

Voorbij

Aaltje en ik deden gisteren weer een dichtsessie: we kozen willekeurig vijf woorden en verwerkten die allebei in een gedicht.
Dit waren de woorden: Voorzichtig, Afscheid, Trouwen, Overmoedig, Bedrijven
Dit is Aaltjes creatie:

 

Varend onderweg

 

misschien als we voorzichtig zijn
en op dit trotse schip van liefde spreken
weten wij veel van elkanders gebreken

 

als je zo lang in mijn ogen hebt gekeken
wil dan mijn roer bedrijven met je hand
mijn dapper en overmoedig vaantjesteken

 

dat praalt met zichzelf in de maneschijn
en dan maak ik ook jou los van zielenpijn
dat zo zinderend schrijnt en brand

 

jouw stuurkunst is heerlijk vrij gestreken
verlost mij welhaast van mijn verstand
maar als wij trouwend samenkomen

 

hoeft afscheid nooit ons hart te breken
zo zullen wij lang van ons varen dromen
vaart ons schip voorgoed van de wallenkant

 

 

En dit deed ik met die woorden:

 

Voorbij
Zo overmoedig als hij danste door
het leven, zo voorzichtig schuifelde
zij voetje voor voetje naar voren

 

Ze vonden elkaar in de tango van luisteren
lachen en de liefde bedrijven, van
trouwen, tegenslag en tevredenheid

 

Ze verloren elkaar toen hun muziek stopte,
het licht doofde en het donker hen de adem
benam. Hun afscheid een zucht vol spijt

 

 
15-2-2022
Mijn gedicht ‘Voorbij’ werd op 18-2-22 gekozen als een van de vijf beste vijf Ultrakorte Verhalen of Gedichten van de Facebookgroep Schrijven online Ultrakorte Verhalen in week 7

Treffen

Je handen plukken stofjes, je ogen
glijden over klassenfoto’s. Mijn mond
strooit weetjenogs. Je glimlacht naar
de poes, ze sluipt weg, hoog
haar rug

 

Een deuntje stopt mijn anekdote, je
grabbelt in je tas, je schouders
machteloos. Je gaat naar de
gang. Ik hoor gemompel dat
verstomt als je weer binnen komt en
gebaart: helaas. Ik sta op, wil iets
zeggen, je treffen maar geef
je jas, mijn hand

 

jammer
ja jammer

 

zacht sluit ik de deur
draai hem op slot

 

—-

 
Dit gedicht is opgenomen in de nieuwste Gopher gedichtenbundel: ‘Niet vrijwillig zit ik afgezonderd.’
Het kreeg een eervolle vermelding, Pieter Stroop van Reenen (stadsdichter van Gouda) schreef:
‘’Treffen’- Cora van Berendonk:
‘Je ziet de scène voor je. Iemand gaat weg. Je geliefde. Of je kind. Of een goede vriend. Iets loopt weg wat er al langer was. Met herinneringen.
Er is bij het weggaan een moment, een seconde, dat je zelf, de lezer, hoopt dat het nog goed komt. Je wilt iets zeggen wat de dichter treft en misschien het weggaan ombuigt. In plaats daarvan is het vaak niets. Blijken de woorden een jas te zijn. Die niets om het lijf heeft, een vaag omhulsel dat de zaken niet verandert.
Daarom is dit gedicht zo sterk. Bij elk weggaan denken we iets treffends te zeggen, maar geven we een jas. Daarna gaat de deur definitief op slot.
Een simpel gedicht, maar met een belangrijk scharnierpunt.
Tragiek in een losse jas vervat.’

 

29-1-2022
 
 
 

Makkelijk

Ze zitten tegenover me, gemondkapt, handtasjes op schoot, en praten bij.
Ik ben te nieuwsgierig om ze op het bordje stiltecoupé te wijzen.

 

‘Zij ging vorig jaar, net voor mijn Wim. Ook Ka. Maar hij redt zich goed hoor.’
‘O, vaak is het voor mannen moeilijker, zo’n leeg huis ineens.’
‘Ja maar voor hem niet’, haar stem schiet omhoog, ‘zij geloven hè, da’s makkelijk, die denken dat ze mekaar later weer zien in de hemel.’

 

Haar handen wurgen het handtasje, haar ogen flitsen door de coupé, kijken dan vragend naar de vrouw naast haar: ‘Ja toch?’
Haar vriendin zwijgt.

 

Ik wend mijn blik af.
De wereld buiten is grijs en nat.

 

9-1-2022
Een iets ingekorte versie van dit verhaal werd op 14-1 gekozen als een van de vijf leukste, beste of meest opvallende ultrakorte verhalen en gedichten van week 2 in de Facebookgroep Schrijven Magazine: Ultrakorte verhalen.

Parkeerverbod

De geniale inval in de wachtrij bij de Jumbo.
De geweldige ingeving in een droom.
Het prachtige plot-idee tijdens een telefoongesprek.
De origineelste eerste regel ooit onder de douche.
De perfecte gedichttitel op de wc.
Een schitterend alternatief voor een suf cliché tijdens het sporten.  
Ik parkeer ze, ze moeten even wachten.

 

Als ik, eindelijk achter mijn pc, rond kijk en ze zoek, zijn ze onzichtbaar.
Vanuit de krochten van mijn onderbewustzijn klinkt gemurmel.
Kennelijk hebben ze zich daar verzameld.
Ik verleid ze met lieve woorden: ‘Jij bent de mooiste, ik heb je nodig, kom maar, dan schrijf ik je in een prachtig aangrijpend verhaal, of wil je liever in een intens gedicht? Je mag je vriendjes meenemen.’

 

Geen reactie.
Geen thema, geen woord, geen zin, geen frase, geen titel biedt zich aan.
In me en om me heen suist een immense leegte.
In de diepte hoor ik ze giechelen, fluisteren en af en toe proest er een.
Ik word uitgelachen …
Ik spits mijn oren en vang flarden op: ‘Ssst, ze probeert het weer, koppig is ze, nee, niet reageren, allemaal hier blijven, anders snapt ze nooit dat wij ons niet laten parkeren.’

 

7-12-2021
n.a.v. het  Woord van de Week in de Facebookgroep Ultrakorte Verhalen: geheugenverlies

Een verkorte versie van dit verhaal werd op 10-12 gekozen als een van de vijf leukste, beste of meest opvallende ultrakorte verhalen en gedichten van week 49 in de Facebookgroep Schrijven Magazine: Ultrakorte verhalen.

Op 24-1-2022 werd het geplaatst in het katern Alice van de digitale uitgave Schrijven Magazine Plus als een van de vijf leukste ultrakorte verhalen van de afgelopen twee maanden.

 

 

Magnifiek

De meester in de zesde klas vond dat ik naar het lyceum moest.
Alleen dat rekenen, dat was wel een probleem, maar wellicht zou bijles helpen.
Mijn vader vond bijles te duur en zuchtte: ‘Meisjes kunnen nou eenmaal niet logisch denken.’
Die zomer kampeerden we in Oostenrijk.
Heerlijk maar ik herinner me vooral de ochtenden.
Op campingstoeltjes voor de Alpenkreuzer bogen mijn vader en ik ons over een dun boekje met ingewikkelde rekenopgaven.
Kort legde mijn vader de breuken en staartdelingen uit, deed er enkele voor.
Ik begreep vaak niet wat hij zei maar vroeg weinig om zijn antwoordzucht te vermijden.
Met de moed der wanhoop probeerde ik na te doen wat hij deed, verlangend naar Pietje Bell en Joop ter Heul die op mij wachtten als deze dagelijkse kwelling voorbij was.

 

Na de vakantie deed ik een rekentest, noodzakelijk om toegelaten te worden tot het lyceum.
De uitslag liet op zich wachten.
Omdat de mulo al begon, moest ik daar vast heen, want daar zou ik toch wel terecht komen, zei mijn vader regelmatig.
Een paar dagen fietste ik ongelukkig naar de mulo.
Van de rekenlessen daar begreep ik niets.
Zou mijn vaders voorspelling dan toch uitkomen? ‘Je kan altijd nog schoonmaakster worden op de fabriek’, zei hij,  ‘de hele dag vieze wc’s schoonmaken.’

 

Toen lag de uitslag van de rekentest op de mat.
Ik had een zes min!
Zelden gaf mijn vader complimentjes en dat ene woord sprak hij alleen in uitzonderlijke bijzondere situaties.
Maar toen zei hij het: ‘Dat is Magnifiek.’

 

Het is de enige keer geweest dat hij dit woord gebruikte in relatie tot mijn rekengaven.
Mijn wiskundeprestaties in de jaren erna op het lyceum boden geen enkele aanleiding om het vaker te gebruiken.

 

 

22-11-2021
Een ingekorte versie van dit verhaal werd op 26-11-2021 gekozen als een van de vijf leukste, beste of meest opvallende ultrakorte verhalen en gedichten van week 47 in de Facebookgroep Schrijven Magazine: Ultrakorte verhalen.

Bach, of ‘a whiter shade of pale’ versus ‘cent mille chansons’

1967
Een zondag in juni, half een.
We eten aan de ronde tafel, vast sudderlapjes met aardappels, doperwten uit blik en appelmoes.
Om 13 uur, tijdens het toetje, vast vanillevla, moeten we stil zijn voor het nieuws op de radio.
Dromerig eet ik mijn yoghurt (ik lust geen vanillevla) tot de nieuwslezer zegt dat voor het eerst in de geschiedenis een debuutsingle van een popgroep binnen is gekomen op de eerste plaats van de top 40.
Het gaat om ‘A whiter shade of pale’ van Procol Harum.
Mijn vader legt zijn lepel neer als een fragment van het nummer klinkt.
Daarna licht de nieuwslezer toe: in dit nummer zijn thema’s uit verschillende Bachcomposities (o.a. Air on the g string) met behulp van een beatdrum en een hippe tekst verwerkt tot een popsong.
Hij doet verslag van de hoogoplopende maatschappelijke discussie die wordt gevoerd over dit fenomeen: is dit plagiaat of een geniale zet?
Aan het hoofd van de tafel luistert mijn vader, groot Bachliefhebber, zichtbaar geschokt.
Nooit heb ik hem horen vloeken, maar zijn binnensmondse gemompel lijkt er verdacht op.
Zijn mening is vernietigend: dit is een grof schandaal, godgeklaagd, heiligschennis van het werk van de grootste componist aller tijden, jatwerk door een stelletje werkschuw langharig tuig dat zelf niks kan.
1968
Het is warm in de kamer, de radio staat zacht aan.
Geritsel klinkt als hij een bladzijde omslaat van de krant, even verschijnt dan zijn gezicht maar zijn ogen blijven geconcentreerd op het wereldnieuws.
Rook kringelt uit de sigaret in zijn mondhoek.
Op de radio klinkt een intro, een mooie alt zet in met langzame lage klanken.
De krant zakt, ‘zet de radio eens harder’ zegt hij.
Dat doe ik, verbaasd, in mijn oren is ‘Cent mille chansons’ gewoon popmuziek en daar houdt hij niet van, we mogen wel luisteren naar de popzender Radio Luxemburg maar dan moet het geluid zacht.
Intens luistert hij, zijn blik vaag in de verte, zijn mondhoeken iets omhoog.
Bij het laatste couplet van ‘Cent mille chansons’, dooft hij zijn sigaret in de asbak naast hem en fluit mee, zacht en loepzuiver.
Hij zingt niet mee, mijn moeder zei dat hij een mooie tenor had maar ik heb hem nooit horen zingen.
Als de laatste tonen van Frida Boccara en hem wegvagen, gebaart hij dat ik de radio weer zachter moet zetten, steekt een nieuwe sigaret aan en verdwijnt weer achter Het Handelsblad.
2021
Bij en na het afscheid van Peter R. de Vries een paar weken geleden, klonk alom ‘A whiter shade of pale’, een nummer waar hij zeer aan gehecht was.
Vorige week klonk op mijn radio ‘Cent mille chansons’ van Frida Boccara, het Franse chanson dat verdacht veel lijkt op Bachs aria ‘Mache dich mein Herze rein’ uit de Matthäuspassion.
Beide nummers doen me terugdenken aan muziek en mijn vader.
Vragen komen in me op die hij nooit meer kan beantwoorden:
waarom vond je ‘A whiter shade of pale’ heiligschennis en adoreerde je ‘Cent mille chansons’?
Had de presentatie invloed op je mening: een shabby geklede langharige popgroep versus een prachtige vrouw in avondjurk?

 

23-8-2021
Een deel van dit verhaal bewerkte ik tot een ultrakort verhaal, ‘Cent mille chansons’, dat op 27-8-2021 door Schrijven Online in de spotlights werd gezet als een van de vijf leukste, bijzonderste ultrakorte verhalen van week 34 in de Facebookgroep Ultrakorte verhalen

Scènes uit ons lot

een koppensneller:
Alsof de rivier huizen wilde opeten, pionieren
met zeewier, spelen zonder regels.
De ravage die achterblijft.

 

Afscheid van een trots maar eenzaam eiland
‘Someone who is just like you’
uit de schaduw en regelrecht naar de top.

 

We bespraken onze levens tot in de intiemste details.
Heikele kwesties, lastige vragen. We varen veel
op instinct, het is nooit zwart-wit. Lange besprekingen over
tactiek zijn niet nodig, welk belang weegt het zwaarst?

 

Ik, schrijver voor de toekomst, wilde een
ongecompliceerd afscheid, gewoon
vluchten, verdwijnen.

 

Als de verschrikkingen voorbij zijn, vervangen
dichtregels het verwarrende heden.

 

 

Een koppensneller is een gedicht samengesteld uit krantenkoppen.
Deze keer uit krantenkoppen in het katern Boeken & Wetenschap van De Volkskrant en in Trouw 17-7-21. In de week dat Peter R de Vries overleed en Limburg leed onder overstromingen.
Dit verhaal werd op 23-7 gekozen als een van de vijf leukste,
beste of meest opvallende ultrakorte verhalen en gedichten van
week 29 in de Facebookgroep Schrijven Magazine: Ultrakorte verhalen.
 
 
 
 

De levensduur van e’s

Het is warm op zolder.
Stof dwarrelt omhoog als ze de doos opent waar 2001 op staat.
Niezend bekijkt ze de inhoud.
Een stapeltje rouwkaarten, een paar rouwenveloppen, een vergeeld programma van de afscheidsbijeenkomst, een lijst met adressen.
Haar ogen glijden over de vele namen, een paar daarvan zijn overleden, een enkele is uit haar leven verdwenen.
Ze pakt de strak opgerolde rouwlinten en rolt ze open.
Bij elk lint dat ze opent, dwarrelen letters naar de grond.
Ze leest: ‘In lifd altijd’, ‘In dankbar hrinnring’, ‘Lifs, j modr.’
Twintig jaar is te lang voor e’s.

 

3-7-2021
Dit verhaal werd op 9-7 gekozen als een van de vijf leukste,
beste of meest opvallende ultrakorte verhalen en gedichten van
week 27 in de Facebookgroep Schrijven Magazine: Ultrakorte verhalen.