Ons bin zuunig

Ik verpak de kaars in kerstpapier, met dennentakje en rode strik.
Op de kaart schrijf ik iets liefs.
Als ik op haar raam tik, wenkt ze: kom maar.

 

Ze schenkt thee in, presenteert een kaneelbeschuitje dat ik glimlachend opeet.
Tante Marie doet niet aan kerstlekkernijen.
‘Hoe gaat het met u?’
‘Best hoor, weer een paar kwalen erbij maar ach, we leven nog. Kijk eens.’
Ze houdt een kunstig rondgebreide halve sok tussen drie breinaalden omhoog.
‘Sokken voor de buurman, dat spaart hem nieuwe uit, hoeft hij alleen mijn wol te betalen.’
Ze is blij met de kaars.
Pakt haar bril, leest mijn kaart.
‘Dankjewel meisje, wel jammer dat je mijn naam erop hebt geschreven.’
Op mijn vragende blik vervolgt ze: ‘Ik heb ze liever zonder naam, want dan geef ik hem volgend jaar weer door, dat scheelt me kaarten.’

 

20-12-2018

Wie het laatst lacht …

In de museumwinkel blader ik in gedichtenbundels als er twee vrouwen en twee stuiterballen binnenkomen.
Een van de vrouwen gebiedt de kinderen: ’In het Kinderboekenmuseum hebben wij op jullie gewacht, nou wachten jullie maar even want oma wil hier rondkijken.’
Ze wachten, even rustig maar al gauw zijn ze verstoppertje aan het spelen tussen de stellingen.

 

Oma neust bij de boeken en verdiept zich daarna uitgebreid in de rekken met ansichtkaarten.
Een voor een pakt ze kaarten, bekijkt ze aandachtig.
Zo verzamelt ze een handvol kaarten terwijl haar dochter met een gezicht als een donderwolk probeert haar kinderen in bedwang te houden.
Als ze een stelling omver rennen, stuurt ze ze scheldend een hoek in.
Dan valt haar oog weer op haar moeder die met een stapeltje kaarten in haar handen naar de kassa loopt.
Ze reageert furieus:
’Mam! Je stuurt toch geen kaarten! Per post zeker? Dat is zo antiek, dat doet niemand meer!’
Haar moeder grijnst en houdt een kaart omhoog:
‘Deze stuur ik naar jouw schoonmoeder.’
‘Mam! Die ligt dood te gaan.’
‘Ja’, zegt haar moeder, ‘daarom juist.’
Ik kom een stap dichterbij en lees de Loesjekaart die ze ophoudt:

 

Wie het laatst lacht, sterft tenminste vrolijk’

 

23-5-2018

Wanhoop

Ik loop even langs om te vragen hoe het gaat.
Hij werkt in de tuin, wiedt onkruid met driftige gebaren, en vertelt:
‘Alles hebben ze weggehaald. De klieren waren schoon behalve een, dus die artsen aan het ruziën of ze een natraject moet. Maar ze is zo verzwakt dus chemo gaat niet, nou wordt ze bestraald. Daar moet ze van kotsen. Maar weet je wat het ergste is? Ze wil niet eten.’

 

Ik vraag hoe ze zich voelt.
Niet begrijpend kijkt hij op naar me. Vervolgt:
‘Wat bedoel je? Hoe ze zich voelt? Wat is dat nou voor vraag? Wat is het alternatief dan? Er is geen alternatief. Ik laat haar niet zo maar dood gaan.
Ik moet voor haar zorgen. Ze moet gewoon eten. Niet eten is geen optie.
Ze móet eten.’

 

Met vochtige ogen en bevende handen rukt hij plantjes uit.
Alsof alles onkruid is.
En weg moet.
 
 
21-7-2017

Alleen

Lang is hij al weduwnaar.
Doet boodschappen, kookt, werkt in zijn tuin, houdt kippen, vermijdt bezoek.
Toch zit ik op een middag bij hem.
Met secure bewegingen schenkt hij thee in een stoffig kopje.
Presenteert een roze koek.
‘Hoe gaat het met u?’
‘Goed’
In een behaaglijke stilte drinken we thee, eten koek.
Hij vraagt: ‘Hoe red jij het alleen?’
Ik knik, ‘prima’, vraag: ‘En u? Zou u weer een vrouw willen?’
Hij neemt de tijd om hierover na te denken.
Ik volg de film op zijn gezicht.
Hij aarzelt: ‘Misschien. Als ze lekker kookt.’
Stilte.
Hij peinst.
Dan, fronsend: ‘Maar ik wil geen polonaise, ze moet ’s avonds gewoon terug naar d’r eigen huis.’

 

6-10-2018

Rekenen

Uit zijn rugzak pakt hij een berg biljetten en sorteert ze.
Op zijn benen groeien stapeltjes van 10 en 20 euro, naast hem op de bank een vijfeuroberg.
Elk stapeltje telt hij, steeds vergist hij zich, vloekt, begint opnieuw.
Als de trein stopt, kijkt hij op, schrikt ‘shit’, frommelt de geldstapels in zijn rugzak, rent weg.
Achter hem dwarrelt een twintigeurobiljet naar de grond.

 

Een roze meisje zoekt een zitplaats. In een vloeiende beweging legt ze, pratend in haar smartfone, haar roze rugzak in het bagagerek, raapt het biljet op, steekt het in haar zak en gaat zitten.
 
 
17-7-2018 

Een kloddertje roze

Enthousiast begint hij: ‘Deze zalf moet je zien als een Golf met een elektromotor die …’
Ik onderbreek hem: ‘Dokter, ik heb niks met auto’s, rij niet, heb niet eens een rijbewijs, heeft u misschien een andere metafoor?’
Ongelovig vraagt hij: ‘Heb je nooit …?’
Ik schud mijn hoofd.
Hij herpakt zich, zoekt vergeefs een andere vergelijking, eindigt slapjes: ‘Deze zalf werkt vaak goed, probeer maar.’
Hij pakt er een A-viertje bij met smeerinstructie: ‘Kijk, je neemt een klodder, eh, een kloddertje en dan…’
Grijnzend zeg ik: ‘Een kloddertje híér bedoel je?’
Mooi, nu vinden we elkaar: breed lachend citeert hij tante Til: ‘Precies, een kloddertje roze híér, een kloddertje roze dáár.’

 

fans herkennen de laatste zin uit de tv-serie uit de jaren tachtig:  De familie Knots
13-6-2018

Leed

27-3-2017
De reis verloopt voorspoedig.
Totdat in het boemeltje Leeuwarden – Harlingen Haven bij de tweede halte wordt omgeroepen dat de trein niet verder rijdt omdat tussen dit en het volgende station een ‘treinbotsing met personen’ heeft plaats gevonden.
Wij moeten uitstappen en wachten op een bus die voor verder vervoer zal zorgen.
Geschrokken en ontdaan staan we even later op het perron.
Een NS-beambte vertelt dat bij het ongeluk twee dodelijke slachtoffers zijn gevallen.
De bus laat op zich wachten, de halfeen boot missen we, de halftwee boot ook.
De zon schijnt, ik drentel wat heen en weer, mensen om me heen appen en bellen.
Een vrouw vraagt haar vriendin hoe haar smartphone ook al weer werkt, ze is het door de consternatie vergeten.
Vriendin legt het uit en dan belt de vrouw haar man waarom ze beide boten zal gaan missen.
Ik zie haar luisteren met de telefoon aan haar oor.
Dan hangt ze op, zonder groet.
‘Wat zei hij?’ vraagt haar vriendin.
Met trillende lippen zegt ze: ‘Hij zei jij hep ook altijd wat.’
 
 
 21-4-2018

Metrokant

Net voor de deuren sluiten glipt hij naar binnen, zoekt een lege plek en vindt die schuin tegenover me.
Would- be baardje, donkere openhangende regenjas, grijs overhemd, donker kostuum, zwarte das, bril met dik zwart montuur.
Hij opent een laptop met universiteitslogo.
Terwijl zijn vingers razendsnel bewegen, kijkt hij af en toe op, lacht naar me.
Een paar haltes verder klapt hij de laptop dicht, staat op, loopt naar de deur.
 
Pas als hij zijn rechterhand heft voor de deur-openknop, schuift het uit zijn mouw:
een zuurstokroze, zijden randje kant met ingeweven lila bloemblaadjes.
 
28-11-2017
 

Dat kan je niet zeggen

De dag na de uitvaart ga ik even buurten.
Uitgeblust hangt hij in zijn stoel.
Vertelt wat er gebeurde toen zijn schoonmoeder en hij achter de kist de kerk uitliepen, gade geslagen door een paar honderd mensen:
‘Weet je, iedereen zag een echtgenoot en een moeder die elkaar steunden in het verlies van hun vrouw en dochter. Een ontroerende aanblik, dat snap ik, ik hoorde het gesnik. Maar niemand hoorde wat ze fluisterde toen ze halverwege mijn arm greep: ‘’Ik had in die kist moeten liggen.’’
Ik dacht alleen maar: Ja, lag jij daar maar. Maar dat kan je natuurlijk niet zeggen.’

 

30-1-2018

 

 

Gewetensnood

Na een drukke dag blaas ik uit in mijn luie stoel als ik tussen de planten op de vensterbank een hoofdje zie verschijnen. Het kijkt nieuwsgierig mijn kamer in tot het mij opmerkt en zich abrupt geschrokken terug trekt.
Grinnikend kijk ik tussen de planten door hoe een klein mannetje rondjes loopt om de plantenbakken in de voortuin.
Dan klinkt de bel.
Als ik de deur open, staat er een meisje van een jaar of zes met een collectebus.
Haperend, af en toe omkijkend naar haar moeder die haar bij het tuinhek bemoedigend toeknikt en souffleert, zegt ze dat ze centjes ophaalt voor de Nierstichting.
Haar broertje stopt zijn rondjes en komt dichterbij, nieuwsgierig kijkt hij mijn gang in.
Ik haal mijn portemonnee terwijl ik denk ‘je kan niet vroeg genoeg beginnen’, en ‘gelukkig een gewone collectebus.’
Terug bij de voordeur zegt moeder lachend, wijzend op haar zoontje, ‘Hij wil bij u komen wonen.’
Die zag ik niet aankomen, dat ziet ze aan mijn gezicht en ze licht toe ‘Hij vindt uw trap zo mooi.’
Aha, dat snap ik, mijn gang en trap zijn belegd met warm okergele vloerbedekking die op kleinzoon ook een grote aantrekkingskracht heeft: soms tref ik hem languit op zijn buik liggend aan, zijn armen uitgespreid, zijn handen en zijn gezicht tegen het warme geel aangedrukt.
Het jongetje staat ondertussen op de drempel en kijkt verrukt naar de trap.
Ik ga door de knieën en vertel hem op ooghoogte dat ik het snap en dat er nog een jongetje is dat mijn trap zo mooi vindt, maar hoe moet dat nou met mama en zijn zusje als hij hier bij de trap komt wonen, zullen ze hem dan niet erg missen?
Zijn gezicht betrekt, ik zie hem diep nadenken, hij kijkt van mij naar zijn moeder die bevestigt dat ze hem erg zou missen.
Een diepe zucht ontsnapt hem, dan doet hij een stapje terug, kijkt nog een keer genietend naar de mooie trap en draait zich om.
Naar mama.

 

22-9-2016