Miep

‘Hallo mam.’
Haar ogen staren langs me door het raam.
Weifelend vraagt ze: ‘Is papa al uit zijn werk?’
Ze aarzelt: ‘Of is hij dood, net als mama? Gaan we buiten spelen?’
‘Ja mam, je vader is dood.’
Ze zwijgt, kijkt verbijsterd: ‘Dat was ik vergeten hè?’
‘Niet erg mam, vertel ik het gewoon nog een keer.’
‘En jij bent Miep niet hè?’
‘Nee mam, ik ben je dochter. Dacht je dat ik je zus was?’
‘Ja. Wat raar hè?’
‘Nee hoor, hoe voelde het toen ik je zus was?’
Haar ogen glanzen: ‘Miep is lief, je lijkt op haar.’
 
9-6-2018

Verhalen in de categorie Verpleeghuisperikelen zijn, met hun toestemming, gebaseerd op ervaringen van anderen

 

Om alles

Leven in een verpleeghuis
 
We lopen een eindje om, halen bloemen bij de bloemenwinkel.
Ze geniet van het uitbundige lentegroen.
Als we even uitrusten op een bankje bewondert ze de bomen om ons heen: ‘Wonderlijk toch, hoe uit een klein takje zo’n prachtige boom groeit?’
Als we terug zijn en ze in haar stoel zit, kijkt ze de kamer rond.
‘Waar zijn mijn spullen?’
‘Dit is allemaal van jou mam.’
‘Maar ik had toch veel meer?’
‘Ja maar dat paste niet allemaal hier.’
Ze knikt. Dan: ‘Zijn dat mijn boeken?’
 ‘Ja.’
‘Maar ik heb veel meer boeken.
‘Ja dat klopt maar die konden niet allemaal in deze kast, een deel is bij Kees.’
Ze denkt na, schudt haar hoofd.
‘En de rest?’
‘Ik bewaar bij mij thuis ook een deel van jouw boeken. Als je wilt, neem ik er de volgende keer een mee.’
Tevreden knikt ze: ‘Doe dat maar.’

 

Als ik afscheid neem, glijdt er een traan over haar wang.
‘Mam, ben je verdrietig?’
Ze knikt.
‘Waarom ben je verdrietig?’
‘Om alles.’

 

22-4-2018

Verhalen in de categorie Verpleeghuisperikelen zijn, met hun toestemming, gebaseerd op ervaringen van anderen

Lavendelleven

Een oase van ontploft zomergroen
siert wegen paden schuren huizen
de middagzon in de voortuin
warmt mijn gebogen rug
klein op mijn knieën
nietsziend verzonken in zomerdromen
trek ik gedachteloos met krabber en vingers
slierten mos en onkruid tussen de tegels uit

 

Tot ze mijn aandacht vangen
weerbarstige stipjes tussen sliertjes vergeeld gras
lavendelsprietjes grijsgroen opkomend in smalle tegelkieren
behoedzaam maak ik ze vrij
bescherm de naalddunne worteltjes
diep de stekjes langzaam op en
heet ze welkom

 

Wat zich zo stug een weg vecht naar het leven
verdient een beter plekje onder de zon

 

 
10-6-2016
 

Knuppel

Uit de terminale thuiszorg

 

De thuiszorg belt: ‘Wil je eens gaan praten bij een cliënt van ons?
Hij is terminaal, de dochter die bij hem is, is aan het eind van haar latijn. Haar broers en zussen komen niet.
Er is een achtergrond van huiselijk geweld. Meneer heeft nog steeds een knuppel naast zich liggen, waar niemand aan mag komen, onze medewerkers gaan altijd met zijn tweeën naar hem toe.
Dus als je vrijwilligers hebt die daar willen helpen, moet je ze goed voorbereiden.’

 

Zijn dochter laat me binnen.
‘U durft’ zegt ze met een hartverscheurend cynisch lachje.
Ze heeft zwarte kringen onder haar ogen en steekt de ene sigaret met de andere aan.
Als ik vraag of ik haar vader kan begroeten, leidt ze me naar een kleine kamer.
In een hoog-laagbed ligt een broodmagere kleine man, scherp steken zijn botten af tegen het beddengoed. Hij is zichtbaar doodziek en sterk verzwakt.
Een oude verweerde honkbalknuppel steekt half onder zijn kussen uit.
Hij slaat zijn ogen op, ik steek mijn hand uit. Hij pakt hem niet, licht zijn hand flauwtjes op en laat hem weer vallen op het dekbed. Zijn ogen vallen weer dicht.

 

Dochter en ik gaan naar de huiskamer.
Als ze een nieuwe sigaret heeft aangestoken, steekt ze van wal.
‘Zag u die honkbalknuppel onder zijn kussen, daarmee sloeg hij ons verrot.
En nou kan hij niet eens meer zijn lepel tillen, dertig kilo weegt ie nog maar, hooguit.
En toch, die angst hè, die blijft, ik dacht dat die zou slijten maar niks hoor.
Als ik hem voer en hij kijkt me aan met die ogen, dat zijn die ogen van vroeger als hij je alle hoeken van de kamer liet zien. Dan wil ik alleen maar gillen, heel hard gillen en wegrennen. Net als vroeger.
Terwijl hij geen deuk meer in een pakje boter slaat, dat zie ik ook wel. Snapt u dat nou? Mijn broers en zussen komen niet, die zijn nog steeds bang voor hem.
Hij heeft niemand, alleen mij en die knuppel. Ik ben hier alleen omdat ik mijn hond bij me heb, die is waaks. En ’t is toch mijn vader. Maar die hond moet ik natuurlijk uitlaten elke dag. Maar hij kan niet meer alleen zijn. Maar ik snap best als uw vrijwilligers hier niet durven zijn hoor.
Als u hem zo ziet, denkt u dan dat het nog lang duurt?’

 

Ik zocht stevige vrijwilligers uit om hier naar toe te gaan.
Niet zo zeer fysiek sterk: de man in het bed bezat geen enkele kracht meer, at en dronk nauwelijks, sprak niet meer. Hij leefde nog twee weken.
Nee ze moesten stevig in hun schoenen staan om bestand te zijn tegen de niet aflatende stroom herinneringen aan een gewelddadige jeugd die de dochter over hen uitstortte, elke keer als ze haar hond had uitgelaten.

 

5-8-2017